Archive for the 'bedenkingen' Category

Online media, een post-fysiognomische overdenking

Fysiognomie is de studie van gezichten om daaruit het (potentiële) gedrag af te lezen. In de 18de eeuw was het een vorm van wetenschap. Mooie mensen zouden goed zijn, lelijke slecht.

Denk maar aan The picture of Dorian Gray, het boek van Oscar Wilde waarin het hoofdpersonage zijn ziel verkoopt voor eeuwige schoonheid terwijl zijn portret in de volgende kamer bij elke zonde lelijker wordt.

Samen met het oudere broertje, de frenologie vormen ze hoogtepunten uit de pseudowetenschap die, wegens een al te grote aannemelijkheidsgraad ook vandaag nog populaire ingang vinden. Het mogen dan al verstoten wetenschapsvormen zijn, hun oorsprong in de menselijke fantasie is van dien aard dat een oen het kan reproduceren. Neem twee mensen en je hebt twee wetenschappers.

We onderzoeken dan ook, met z’n allen. Elke dag van de week. Jaar in, jaar uit. Op trein en receptie, op kantoor en in de kroeg. Wat zouden we ook? We ontmoeten er op los. We netwerken, binnen en buiten de organisatie. We ontmoeten en we sluiten vriendschap. We vinden elkaar online. Soms hebben we niet eens een fysieke ontmoeting voor we vriendschap hebben gesloten. Iedereen avatar.

Ik vraag me af hoe die hersenen van ons dat toch doen. Nauwelijks het jagen en verzamelen voorbij, een laagje beschaving van wat? 10.000 jaar? Daaronder de grote diepte. Biologie en chemie, hormonen en instinct. Die speerwerper zit nu met de neus op een lichtgevend oppervlak naar letters te kijken en denkt er het zijne van. Oordelen vormen zich. Verbazingwekkend.

De tijd en de afgestudeerden

update (zie reacties): ook technische profielen zijn welkom al was het niet zo gezegd in het twitterbericht, mijn kritiek naar De Tijd is misschien wat te direct dan. Dat neemt niet weg dat ik me zorgen maak over de representatie van studieniveaus in de media.

De Tijd, de Belgische financiële krant, niet het theatergezelschap, zoekt “pas afgestudeerde jongeren die de krant wil volgen in hun zoektocht naar een job. Univ en hogeschool welkom…” Het kan aan mij liggen maar als ik dat lees gaan mijn haren ten berge. Univ en hogeschool welkom.

Zelf heb ik het geluk zowel een universitair als een hogeschooldiploma op zak te hebben. In die volgorde behaald ook. Eerst de theorie, dan de praktijk.

Maar over die studenten dus. Ik zou mij als beroeps of technisch opgeleide jongere vandaag echt uitgesloten voelen. Zoek ze maar eens in de krant vandaag. De dropouts en de laagopgeleiden, de generatiearmen en de kansengroepen. Het is zoeken tot je er krank van wordt. Al zeker in de kwaliteitskranten en hun jobbijlagen.

In die upmarket publicaties kom je zonder “manager” of “coördinator” op je kaartje of andere diplomavereisten niet in. Haast niet. Uiteraard niet. Journalisten zijn ook mensen en gaan op zoek in hun adressenbestand of hun facebookvrienden of hun oud-klasgenoten op linkedin. Ze gaan op straat en spreken hun eigen spiegelbeeld aan.

Ik voel me daar niet helemaal comfortabel bij. We zitten met loonkloof en een arbeidsmarkt in drie snelheden. Binnenkort worden managementfuncties erfbaar. Dat noemen we dan MBA’s die we verkopen aan € 10.000. Geen working class heroes meer. Sociale mobiliteit in de wachtkamer.

Zij die de boot missen staan voor eeuwig aan de kant. Misschien voor enkele generaties.

De trein is altijd een beetje…

De trein is altijd een beetje reizen. Het was ooit een slogan van de nationale maatschappij der Belgische spoorwegen. Vandaag is het een -al te vaak met een zweem van sarcasme uitgesproken- huizenhoog cliché. Meestal gebruikt wanneer er niet gereisd wordt maar gewacht.

De trein is altijd een beetje lijden zo lijkt het wel. Als je de verhalen mag geloven dan. Treinen worden afgeschaft. Er is vertraging. Sommige treinen zijn overvol, andere rijden leger dan goed is naar de uithoeken van het land waar niemand ooit naartoe schijnt te gaan.

Op tijd rijdende treinen zijn een universele obsessie. Treinen zijn een maatstaf voor de werking van een land. Dat is al langer zo. “Hij liet de treinen op tijd rijden” is een fabeltje dat nog altijd door neo-fascisten in Italië wordt verteld over Benito Mussolini. Terwijl de treinen er voor zijn tijd er naar het schijnt zo belabberd aan toe waren dat regressie naar het gemiddelde alleen al een verbetering van 100% opleverde.

Sinds maart pendel ik halftijds. Drie keer per week op en neer naar Brussel. Zeer naar tevredenheid. Nooit file gehad. Een occasionele vertraging. Nooit écht onverwachtte of verschrikkelijke vertragingen. Het is met de treinen zoals met technologie. Iedereen verwacht dat het maar moet werken. Altijd op tijd en zonder defecten.

Borgerhout

Borgerhout is weer in het nieuws geweest de voorbije week. De combinatie van “Borgerhout” en “in het nieuws” is meestal niet heel erg veelbelovend. Ook nu was zulks niet het geval.

Een aantal heethoofden kwamen zever verkondigen in een buurthuis, een ex-guantanamo-gevangene heeft zich in ons district gevestigd en ergens in Borgerhout schoot een onverlaat met een pistool.

Oh nee, wacht. Die pistolenmens deed zijn ding in Antwerpen (postcode 2060). Maar omdat het over geweren gaat en gezien de aard van het café leek het waarschijnlijk wat makkelijker te verwerken voor lezers als daar ineens maar Borgerhout van werd gemaakt. Beide districten grenzen immers aan elkaar en als je nu echt uit moet gaan leggen aan je lezers… nee, dat zou teveel nuance vragen. Antwerpen met geweren, dat is Borgerhout.

En zo blijf je dus vragen krijgen als je zegt dat je in Borgerhout woont. Of het daar écht nog altijd zo… En met die vreemdel… Allez, begrijp me niet verkeerd, daar zitten ook goeie gasten tussen hé… Durf dan maar eens te vertellen dat je nog nooit bent overvallen en dat je nog nooit een drugsdeal hebt zien plaatsvinden. Dan word je voor blind of naïef versleten.

Nee, niet alles in Borgerhout is rozengeur en maneschijn. Er is zwerfafval en er heerst armoede, er zijn teveel mensen en te weinig ruimte, er zijn teveel auto’s en niet genoeg parkeerplek. Maar verder is het hier fantastisch wonen. Het is maar dat u die kant van het verhaal ook eens hoort.

Met vriendelijke groet

Geachte,

Geen idee hoe dat bij u zit maar ik krijg nogal wat mail zo op een dag. Soms denk ik dat de wereld zou imploderen zonder. Nog vaker denk ik dat de wereld ermee zal exploderen.

Mails hebben iets inherent verderfelijk. Conversaties starten met geachte en verspreiden zich daarna met toenemende kracht en snelheid. Steeds meer mensen rollen in steeds meer kopieën van dezelfde kennis richting een steeds dichterbij komende afgrond. De metafoor van de sneeuwbal ligt voor de hand.

Het probleem van die metafoor ligt in het effect die de sneeuwbal heeft. Hoe groter de lawine, hoe groter zijn effect. Met het mailverkeer gaat die regel niet op. Wel integendeel. Dat is de sneeuwbalparadox. Hoe groter de bal wordt en hoe sneller hij rolt, hoe onvermijdelijker zijn ondergang wordt. Het ravijn betekent zijn dood. Het dorp blijft staan.

Hoe langer zo’n digitaal gesprek blijft staan, hoe minder de regels van de normale briefwisseling worden gevolgd. Geachte wordt beste wordt hallo wordt hey wordt hi wordt niets. Andere zinsnedes blijven wel. Omdat ze geautomatiseerd zijn. Met vriendelijke groet is er zo een.

Vaker dan niet zie ik zo’n zin niet staan. Ze voegt niets toe aan de boodschap. Ze staat er voor de vorm. Ze zijn de zichtbare code van een mail. Maar wat zijn vriendelijke groeten helemaal en in welke mate verschillen ze van andere groeten. Bestaan er ook onvriendelijke groeten en als de vriendelijke groeten verdwijnen, wat moet ik er dan mee? Zijn er dan geen groeten meer te doen of zijn dat dan negatieve groeten?

Als u dat even voor mij zou kunnen uitklaren?

Met vriendelijke groet,

Jan Seurinck

Mijn ideale (Belgische) stad

Deze week was ik nog eens in Gent, de stad waar ik mijn studententijd aka “de schoonste tijd van uw leven” mocht wonen. Steeds weer heb ik het gevoel dat ik er opnieuw zou kunnen wonen. Niet dat ik iets tegen mijn huidige woonplek heb maar Gent heeft zo’n vibe en een aantal dingen die ik niet goed kan benoemen.

Het deed me denken: hoe zou mijn favoriete Belgische stad er uit zien? Dit is een blog, dus kan ik vrij kiezen hoe mijn stad eruit zou zien. Even shoppen:

Mijn ideale Belgische stad ligt aan een rivier. Daarom neem ik de Schelde. De breedste rivier van het land laat ook zeeschepen toe. Een haven is onontbeerlijk voor mijn favoriete stad. De industrie bloeit volop en produceert zo groen mogelijk.

De heuvel(s) haal ik uit Brussel. Heuvels zorgen ervoor dat je stad karakter krijgt. Eigenlijk is het gebrek aan één of meerdere heuvels iets wat mij serieus aan Antwerpen tegenstaat nu ik me het zo bedenk.

De hoogste heuvel biedt een uitzicht over de stad. Dat is een stukje Luik of Namen in mijn stad. Bovenop de berg ligt een oude abdij. Neen, geen kasteel, dat is me te cliché.

Het museumeiland: toegegeven, het idee is gepikt uit Berlijn wat je niet echt Belgisch kan noemen, maar bij mij liggen de musea op een kluitje bij elkaar. Dat maakt de zaken wat makkelijker. Het schiereiland houdt ze bij de stad maar toch liggen ze een beetje afgezonderd.

Ik ga voor niet voor één museum van schone en één voor moderne kunst zoals klassiek is. Mijn ideale stad heeft een museum per historische periode, in een bouwstijl uit die periode en met de kunst van die periode. Op die manier hou je als geïnteresseerde leek het overzicht. Laat alle gebouwen dus maar aanrukken, dat ik mijn keuze maak.

Hoe we dat oplossen met de musea voor oudheidkunde en prehistorie? Daarvoor maken we hypermoderne gebouwen. Nieuwer en moderner dan het het museum voor moderne kunst. Ze bevatten elementen die verwijzen naar hun eigen historische periode.

De historische binnenstad, gelegen aan diverse kanalen, is Middeleeuws. Een stukje Brugge met een vleugje Gent. Geen kasteel in het midden echter. Het Steen of Het Gravensteen, we moeten ze bewaren omdat ze er nu eenmaal zijn maar in mijn ideale plan is er geen plaats voor een ridderkasteel.

Voor een kathedraal is er dan weer wel plek. Net als een synagoge. Buiten het centrum zijn er ook moskeeën, tempels en voor elk wat wils. Iedereen die dat wil kan de plekken van de gelovigen bezoeken, als er maar rekening wordt gehouden met de rituele gebruiken.

Grenzend aan de binnenstad liggen de residentiële buurten. De wijken zijn historisch gegroeid en dus hebben we een stad die er van bovenaf uitziet als een ajuin. Elke pel bestaat uit gebouwen die uit dezelfde periode dateren.

Elke buurt heeft een cultuurcentrum waar voor elk wat wils is maar telkens een accent wordt gelegd. Een cc richt zich op dans, een ander op klassieke muziek, nog een ander op theater. De twee gebouwen van de Vlaamse Opera, de Roma, Trix, de Vooruit, de AB, het concertgebouw, het NTG, Bozar, het Toneelhuis, Het Zuiderpershuis, ze passen allemaal binnen één van de ringen die de stad maken tot wat ze is.

Buiten die residentiële buurten die langzaam maar zeker overgaan in wijken ligt een natuurlijke Green belt. Een kruising tussen het Zoniënwoud en de toekomstige Antwerpse singel. Hier komen mijn stedelingen op zondag verpozen.

Verderop liggen de moderne kantoorwijken en de ring die de stad vlot bereikbaar en paseerbaar maken voor de mensen die een auto willen gebruiken. Auto’s komen uiteraard de stad niet in. Je laat ze aan de rand staan en komt de stad in met openbaar vervoer.

De treinstations van Gent Sint-Pieters, Antwerpen centraal en Luik Guillemins vormen respectievelijk de west, centraal en oost stations. Trams (geen PCC’s meer maar van die Hermelijnen) en een uitgebreid metronet verbinden de rest van de stad met elkaar.

Uiteraard heeft mijn stad scholen in overvloed en een universiteit die campussen heeft doorheen de stad. Hun deuren staan altijd wagenwijd open voor geïnteresseerde burgers. Hun programma’s worden zo breed mogelijk verspreid wanneer je iets wil studeren kan je hun vakken gaan volgen, iets wat elke inwoner van de stad dan ook gretig doet.

Op horecavlak heeft mijn stad uiteraard niet te klagen. Moeten zeker aanwezig zijn: het Kafee van de Vooruit in Gent, het dak-café van Het Concertgebouw in Brugge maar dan met hipper volk, een hele nest bruine kroegen en uiteraard aan Irish Pub, diverse vegetarische restaurants in alle kleuren en maten en een aantal cafés die in de toeristische gidsen volks maar toegankelijk worden genoemd.

Mis ik nog dingen voor een droomstad of heb ik het zowat allemaal?

Op de trein

Mijn nieuwe job betekent ook pendelen. Drie keer per week over en weer naar Brussel. Antwerpen Centraal naar Brussel Noord. Een ideaal moment om podcasts te luisteren, wat mailtjes te beantwoorden, twitter even te checken, mensen te observeren.

Het valt me op dat er nog steeds mannen zijn die (al dan niet verplicht) in pak en das naar Brussel trekken. Je stelt je voor: een man in een pak, krijtstreep optioneel, gesteven hemd met bijhorende das, een trenchcoat om het geheel stijlvol te verpakken voor de wintermaanden. Aktentas aan de voeten.

Verkeerd! Mannen die in pak gaan werken hebben geen smaak. Of ze hebben vrouwen zonder smaak. In elk geval, ze zien er niet uit. Mannen met pakken en dassen dragen geen trenchcoats en aktentassen. Ze dragen jassen van The North Face of Craft. Ze bedienen zich van gesponsorde rugzakken van hun werkgever of -o gruwel- Kipling.

Er zijn van die dingen die ik niet kan begrijpen.

Cafépraat in de ochtend

Is er een complot? Wordt er informatie achtergehouden? Waarom is het publiek niet op de hoogte? Waarom was Jannie Haeck te gast in Ter Zake en heeft hij ons niets verteld? Waarom is er nog steeds geen schuldige aangewezen? Hoe komt het dat Etienne Schouppe zou nadrukkelijk uit beeld blijft? Het volk verwacht antwoorden.

Je zou denken dat een serieus medium de handen uit de mouwen steekt en even het telefoonnummer van Haeck uit de lijst haalt en de man aan de tand voelt. Of dat ze Schouppe om een reactie vragen.

In de plaats krijg je een spoorwegspecialist. De conclussie: er zijn nog veel vragen. Om daartoe te komen zijn om en bij de 5 minuten zendtijd nodig.

Cafépraat in de ochtend. Cafépraat die je ook in kranten kan lezen, daar niet van.

luister zelf

Algemene relativiteit en de krant

Wij hebben een abonnement op de krant. Ik weet het, het is ouderwets, het verbruikt papier en een voldaan gevoel hou je daar niet van over. Het is niet anders. Het is een van ouders op kinderen doorgegeven traditie en zo meteen is het er nog niet uit.

Mijn lief pendelt, dus neemt zij de krant mee op de trein en blijf ik achter met het nieuws van eergisteren in de krant van gisteren. Het nieuws an sich kan ik overslaan, dat heb ik inmiddels via andere bronnen geconsumeerd. De wetenschapsbijlage op donderdag is wat minder nieuwsgevoelig.

Dus krijg ik vandaag het artikel “Einsteins algemene relativiteitstheorie wordt bevestigd in het lab” onder ogen. Ik meen dat ik er al iets over had gehoord had. Evengoed duik ik het artikel in. De journalist schrijft een goed krantenartikel: hij leidt in en vertelt wat de algemene relativiteitstheorie zegt: de tijd gaat trager op de begane grond dan hoog in de lucht. Juist ja.

Daar stuit ik dus op de grens van wat een krant voor mij, anno 2010 nog kan betekenen. Nu ben ik geen fysicus, noch ken ik het alpha en omega van de sterrenkunde en het werk van Einstein. Iets in mij zegt dat ik met die twee zinnetjes de essentie van de rest van het artikel ga missen.

There’s an app for that en die app heet chrome. Die vind ik snel op mijn MacBook. Even algemene relativiteitstheorie in de zoekbalk pleuren en hups: daar komt een artikel. Verleg ik mijn zoektocht naar het Engels, dan kom ik al snel op sciencedaily en kan ik lezen zoveel ik wil (en kan begrijpen).

Je zal mij niet horen zeggen dat kranten geen toekomst hebben. Wel integendeel. Er is zoveel bagger out there dat ik door de bomen het bos niet meer kan zien. Maar mag het iets meer zijn dan enkel de samengevatte vertaling of een kopij van het persbericht? Mag het wat meer zijn dan wikipedia en mag ik ook meer weten dan wat jullie mij willen vertellen?

Visie op de verslaggeving rond een ongeval

Het is bij dramatische ongevallen zoals dat van deze ochtend altijd interessant kijken naar de nieuwsverslaggeving. Als een soort beroepsmisvorming of vakidiotie kijk ik dan naar de nieuwsverslaggeving zonder naar het nieuws an sich te kijken.

Een vast patroon tekent zich daarbij af. Media wijzen steevast op hun snelheid en op het live-karakter van hun verslaggeving. Ze wijzen op het nieuwskarakter van de berichten en wijzen op de volledigheid. Niets wordt verzwegen. Zodra we meer nieuws hebben, komen we bij u terug.

Online media gooien zo snel mogelijk foto’s, video’s en tekst online. Harde, zuivere feiten. Schijnbaar. Een botsing. Een ongeval. Doden. Vragen, heel veel vragen en witruimte. Geen stilte. Vooral geen stilte maar nieuws en meer nieuws. Zolang het maar oplevert. Je kan het hen niet kwalijk nemen. Hoewel. Recuperatie als verdienmodel.

Niet dat klassieke media zich zomaar laten verdringen. Bij de VRT hadden ze haast onmiddellijk een ploeg ter plaatste. Michael Van Droogenbroeck heette te zijn aangekomen nog voor de hulpdiensten. Hij was getuige geweest van het aankomen van de hulpdiensten en had met eigen ogen kunnen vaststellen dat de twee op elkaar gereden treinen een ware ravage hadden aangericht. Hij liet de camera inzoomen. Zo kon ook de kijker getuige zijn van verwrongen staal en het werk van de hulpdiensten. De eeuwige objectiviteitsobsessie.

Bovenal is hij live ter plaatse. Niet alleen kon de kijker dat zien, om elke schijn van trucage te ontkrachten wordt er ook bij elke regiewissel duidelijk op gewezen. Michael, jij bent voor ons ter plaatse. Ook tijdens herhalingen. Keer op keer blijft de journalist dezelfde zinnen herhalen. Steeds weer wordt er live overgeschakeld. Het bericht van kwart voor één mocht dan een tot op de bit en de byte nauwkeurige kopie zijn van het nieuws van half twaalf, niets deed vermoeden dan Van Droogenbroeck niet even iets meer zou zeggen, dat hij geen extra getuige ten berde zou brengen.

De echte vraag is echter: hoeveel nieuws verstrekt het nieuws? Met andere woorden: wat is de waarde van de berichtgeving. Ik bedoel dan niet: hoeveel winst, omzet of waarde kan er met de berichtgeving worden geproduceerd of hoeveel % van de jaardoelstelling haalt de openbare omroep met één extra journaal maar hoeveel nieuwswaarde wordt er geleverd.

Hoeveel toegevoegde waarde hebben de verschillende berichten? Wat is de waarde van een liveverslaggever. Hoeveel waarde heeft een ooggetuige die het vooral over het gevoel heeft. Hoeveel waarde hebben beelden van verwrongen staal en wat vertelt een kind in de armen van een man?

Ongevallen zijn makkelijke onderwerpen. Ze zijn makkelijk in beeld te brengen en vergen nauwelijks correctie. Geen politieke evenwichten. Nauwelijks woord, laat staan wederwoord. Voor visuele media zoals televisie en bij uitbreiding ook het multimediale internet zijn ongevallen een stuk makkelijker dan politiek nieuws. Laat staan internationaal nieuws.

Zodra het nieuws in de standaardberichtgeving komt, valt het onder de gewone regels van het televisienieuws. Uiteraard is het nieuws van het ongeval het enige hoofdpunt. Uiteraard. Maar het format blijft heilig. Hoe uitzonderlijk het nieuws, hoe rampzalig en dramatisch ook. Steeds dringt zich de televisierealiteit op. Het nieuws bestaat uit de elementen binnenland, buitenland, sport, faits divers en sport.

Je kunt van verslaggeving rond ongevallen niet veel verwachten. Feiten, schijnrealiteiten (slachtoffers worden zorgvuldig buiten beeld gehouden) en open vragen. Steeds afgestemd op het verhaal dat verteld kan worden. Daarom wordt er gesproken over chaos. Chaos dekt daarbij zowel de medialading als de lading van de gebeurtenissen.

Er is echter één groot verschil tussen wat we de gebeurtenissenchaos en de mediachaos zouden kunnen noemen. Chaos is maar interessant zo lang je de kijker kan vertellen uit welke elementen de chaos bestaat. De chaos zelf is hoogst ondankbaar mediamateriaal.

Vind je deze blog leuk?

read my rss feedqrcode