Currently viewing the category: "marketingcommunicatie"

Kwam ik gisteren buiten. Fiets aan de hand. Klaar voor vertrek. Komen twee mensen door de straat. Ze bussen flyers. Twee huizen verder. Ze komen op me af. Een confrontatie is, zoals dat dan heet, onvermijdelijk. Hier zal communicatie plaatsvinden. De ruimte is te beperkt om het zonder te doen.

Een jongedame, ik schat haar ergens achter in de 20. Ze ziet er leuk uit. Bedenk ik me later, op het moment dat ik weet dat ze Mieke heet. Een man. Tikje ouder. Ze hebben een boodschap te verspreiden. Dé Boodschap.

Ik knik gedag. Zet een glimlach op. Hij merkt het niet op. Zij mompelt iets wat op goeiedag lijkt, bedenk ik me later, op het moment dat ik weet dat ze Mieke heet. Ze bussen verder. Bij de buren nu. Ik kijk Mieke strak in het gezicht. Zij komt mijn kant uit. De man maakt vast een boogje.

Op mijn bus hangt dan wel een sticker tegen nodeloze reclameboodschappen (some do get through), ik verwacht dat ze me een flyer zal aanbieden, haar waren, wat ze ook zouden zijn, zal aanprijzen. Vertellen wat ze van de buurt vindt en waar ik haar nering kan vinden. Gesteld dat ik op dat moment had geweten dat ze Mieke heet.

Verwachtingsvol kijk ik van haar gezicht naar de bundel, ze is me tot op minder dan een meter genaderd nu. Haar ogen hebben de focus van de flyeraar. Hier moet en zal een boodschap verspreid worden. De Boodschap. Vanavond nog. Mieke heeft een schoonheidssalon in de buurt en iedereen zal het weten.

Voor ik er erg in heb, hoor ik de klep van mijn postbus dichtvallen. Mieke heeft het verknald. Ook al weet ik niet dat ze Mieke heet. Dan nog niet.

 

Advertenties waar ik even bij na moet denken vind ik meestal leuk. Of het nu over een woordspeling gaat of een visueel kunstje of een postmoderne verwijzing. Tijdens mijn lessen marketingcommunicatie noem ik het wel eens de 70%-regel.

Die komt op zijn beurt uit mijn televisieverleden waarin ik leerde dat een quiz, wil hij gesmaakt worden, net zoveel door het publiek oplosbare vragen moet bevatten dat het leuk blijft. Het magische getal zou daarbij 70% zijn. Een bloggersequivalent zijn de tien-tips-om-lijstjes.
Enfin soit. Vandaag zag ik zo’n advertentie. ‘Thomas, ben jij de nieuwe Edison?’ las ik op de zijkant van een PCC-tram (het andere type wat je in Antwerpen ziet zijn Hermelijntrams, quizvraag). Het is een soortement banner voor de Universiteit Antwerpen. Nu had ik recent een podcast over ‘s mans werk en leven beluisterd en stilstaande aan het kruispunt vertrekken mijn hersenen alvast.
Thomas Alva Edison. Amerikaan. Geboren ergens half 19de eeuw (data zijn niet belangrijk, tijdsframes wel). Uitvinder. Meesterpatenteerder. Geld gemaakt (fuck, met wat eigenlijk, een uitvinding maar welke?). Phonograaf (zijn favoriete uitvinding, ook vanwege zijn gehoorprobleem althans dat was een denkpiste). Elektrische stoel (daar wil je je naam liever niet onder). Gene gemakkelijke mens. Hier klopt iets niet, verdomme, wat, ik vergeet iets. De gloeilamp.
Het licht -zou dit een gloeilamp geweest zijn- springt op groen. De auto achter mij claxoneert (wiens uitvinding zou dat zijn, een man voorzeker). De tram vertrekt in de ene richting, ik in de andere. Edison. Ja ja. Slimme mens. Op een affiche van de universiteit Antwerpen. Jongeren heten vandaag Thomas en ze gaan naar de universiteit. Ik heb een neef…
Edison. Nu weet ik het. Edison. Die. Is. Niet. Of. Nauwelijks. Naar. School. Geweest.