Wij zijn verwend. Meer dan een muisklik en drie seconden concentratie kost nieuws niet meer. Wij klagen wanneer we ook nog een advertentie moeten wegklikken. Of als er een banner in de weg staat. Wij vinden de prijs van de krant te hoog.
De kranten schieten alle kanten op. Niet helemaal wetend van welk hout pijlen te maken. The Guardian en The Times met respectievelijk een extreem open en gesloten model als opmerkelijkste voorbeelden.
De krant verlaat binnenkort de dodebomenindustrie en zet haar rijke geschiedenis digitaal verder. Daar gaan we niet meer over discussiëren, wel? Dat alles verandert het medium totaal, zo wordt gezegd. Mijn studenten communicatieanalyse zouden hier spontaan opspringen en roepen dat niet het medium maar wel het kanaal verandert, maar dat is een ander verhaal.
Dat doet niets af van het feit dat er veranderingen op stapel staan. Mediaorganisaties veranderen in sneltempo. De content evolueert. Layout wordt design. Niets nieuws onder de zon. Ware het niet dat de online krant en de offline krant synoniemen worden. Dat is wat anders.
Snel nieuws wordt de norm. Live is beter. Hoe langer hoe meer de redactie buitenspel. Tijd geeft misschien raad maar geen pageviews. Analyse verdwijnt achter de waan die gemeenzaam de dag wordt genoemd. Sommigen zien het einde van de hoofdredacteur in zicht. Geen beslissingen meer. Alles is nieuws.
Kranten worden het afdrukmedium voor persberichten en persagentschap, zo wordt geschreeuwd. We lachen met woestijnvisgate en wanen kranten dood. Zo’n vaart loopt het niet. Niet helemaal.
In de zuivere online berichtgeving komt dat persberichtverschrijven een stuk vaker voor. Minder belangrijk nieuws. Celebnieuws of technologie, een vreemd bericht uit Amerika of verweggistan. Makkelijke pageviews. Een krant heeft een dag tijd gehad om te rijpen. Dat scheelt aan de hoekjes.
Wat als het gedrukte medium en het online medium eerder zeker dan langzaam naar elkaar migreren? Lezen we straks op onze i- en e-readers alleen nog nieuws, rechtstreeks geporteerd van persbericht en telex? De opinie van de redacteur-specialist toe. Of mag het nieuws meer zijn? Is er plaats voor achtergrond en inzichten?
Dat geloof ik wel. Dat gaat zo: nieuws is gratis. Ad supported maar wel gratis te lezen. Die contextuele advertentiesystemen verfijnen zichzelf wel. Als de huidige kranten het niet blijven doen, zullen ze onder de voet worden gelopen door snel opererende nieuwssites.
Desnoods gaan merken (en dan bedoel ik merken in de brede zin van het woord) ons zelf het nieuws bezorgen. Iets wat een bedrijf als google bijvoorbeeld al lang door heeft. Ook de Tour de France communiceerde de wedstrijd rechtstreeks via de eigen website. Geïnteresseerd in ons nieuws? Lees de RSS-feed, surf naar de website, download de app. Whatever.
Het krantenabonnement van morgen biedt je meer dan het herwerkte persbericht. Het verhaal achter het nieuws. Wil je inzichten van redacteurs? Het oog van de specialist? Dan betaal je per journalist-personality, per onderwerp, per artikel of per krantenmerk. Dat laatste zal niet gek veel verschillen van de situatie vandaag.
Net daarom geloof ik meer en meer dat kwaliteit de overhand zal halen. Kwaliteit zoals in een doorgedreven analyse, niet de hogere astrologie die vandaag wel eens wordt bedreven. Alles gratis, alles klikbaar, pageviews voor geld is geen houdbare situatie. Alles achter slot en grendel werkt evenmin, zeker in België niet. The Times overleeft misschien op 46154 lezers op een markt van ettelijke tientallen miljoenen, qua schaalgrootte is dat voor ons land niet houdbaar.
Mensen en content zijn de sterkte van kranten. Kranten moeten hun merk in de gaten gaan houden. Argumenten als “ja maar, dit gaat niet over de krant, dit is online”, gaan niet langer op. Vandaag niet meer. Morgen al helemaal niet.
De aangekondigde revolutie is niet meer dan een verschuiving van inkt naar bytes. Van tekst met foto’s naar tekst met video, geluid, augmented reality waarschijnlijk. Ooit. 2010 wordt een dikke voetnoot in de geschiedenis van kranten.
Het is een evolutie die weliswaar bedreigend lijkt (vooral uit commercieel oogpunt) maar die, zoals het managementcliché luidt, ook opportuniteiten met zich meebrengt.
De laatste tijd was er wat aan het verschuiven in de media. Iets waar ik niet heel erg goed de vinger op kon leggen. Volgens mij merkte ik het op bij de verhuis van Peter Vandermeersch naar het NRC. Dit was anders. Anders dan vroeger, toen professoren mij nog vertelden wat ik hoorde te zien. Of mij de ogen open deden voor dingen die ik zag maar toch niet écht begreep.
De foto’tjes in de weekendkrant, meer bepaald de opiniepagina’s van De Standaard deden een lichtje branden. Dit herkende ik. Dit had ik eerder gezien.
Er was een tijd dat Belgische krantenjournalisten personaliteiten waren. Althans, zo is het me verteld. Maar toen kwam eerst de radio en een stuk later de televisie en toen verschoof de focus naar nieuwsankers. Men kwam er achter dat het visuele primeert. Als communicatiewetenschapper vind ik dat interessant. Als docent hoor ik dat interessant te vinden zelfs.
Die persoonlijkheden zijn terug. Begrijpelijk, dat wel. De crisis slaat hard toe in de media. Ontslagen bij de redactie, teruglopen van lees- en advertentiecijfers. Personaliteiten zijn handig voor kranten. Ze trekken lezers aan. Adverteerders ook. Personaliteiten zijn gemakkelijk voor de lezer, ze leiden je zo door de krant. Je bekijkt de wereld door een bekende bril.
Waarop ik me dan afvraag of men daar wel goed aan doet. Hoe langer hoe meer hoor ik stemmen opgaan voor sterke journalisten die -zoals dat dan heet- niet te beroerd zijn om hun eigen mening te verkondigen. Dat heette eens verzuiling maar nu de breuklijn van de staat versus de kerk en de arbeider tegen het kapitaal zijn opgebroken en er geen einde gekomen is aan de geschiedenis heet het branding. Personal branding om precies te zijn.
Het vervelende is dat je niet langer weet door welke bril je kijkt. Journalisten zijn niet meer bekend omwille van hun mening. Ze hebben televisieprogramma’s of treden erin op. Polspoel en Desmet was een pionier maar inmiddels weet elke redacteur de weg te vinden naar de ochtend van radio1 en de avond van één.
Als je Het Volk las wist je dat je door een katholieke werknemersbril naar de wereld keek, de vooruit was er voor de socialist. Vandaag schreeuwen media al dan niet expliciet hun onafhankelijkheid uit maar willen ze tegelijk een mening hebben. Opiniestukken en bijdragen mogen geschreven door politici of hun vertegenwoordigers. Ook in de week voor de verkiezingen.
Journalisten mogen en moeten misschien een mening hebben maar als ik interviews hoor, als ik tweets doorheen de dag lees, dan hoop ik dat ze die mening voldoende van zich kunnen afzetten tijdens hun interviews en bij het schrijven en monteren van hun stukjes. Ik vorm namelijk zelf ook nog graag een mening. Op basis van en over feiten, niet over meningen.
Stel u een wereld voor waar maar twee steden zijn. De twee steden zijn perfect gelijk, zowel naar omvang als naar structuur. Zelfs de demografische samenstelling van de bevolking, de sociale structuur en de inrichting van de macht zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Elke vreemdeling die zich op het lege stuk bouwgrond in het midden van één van de twee steden zou bevinden zou nauwelijks kunnen zeggen in welke stad hij zich bevindt.
Beide steden hebben een intern communicatiesysteem maar tussen de steden is er niet in het minst contact. Je zou kunnen zeggen dat ze nauwelijks notie van elkaars bestaan hebben. Hoewel het nieuws uit de ene stad wel langzaam doorsijpelt bij de andere stad is de interesse voor de anderen beperkt.
Als bij toeval worden in beide steden verkiezingen geörganiseerd op hetzelfde moment. De inzet: het braakliggend terrein in het midden van elke stad. De meningen binnen de steden zijn verdeeld. De plannen variëren van niets doen tot een groots flatgebouw, van een park tot een museum, van torenflat tot zwembad. Sommigen houden vast aan de bestaande toestand.
De beslissing valt. In de eerste stad is er een meerderheid voor het braak laten liggen van het terrein. Er komen wat bomen om het geheel op te fleuren. Een bloemenperk ook hier en daar en paadjes om het dwarsen van het terrein te vergemakkelijken. Verder blijft het een lege plek.
Mensen steken het plein over, zeggen elkaar goeiedag, doen een praatje en gaan elk hun weg. Er zijn immers geen bankjes om even te toeven. Veel mensen merken niet dat er iets aan het plein is veranderd. Ze wonen immers aan de andere kant van de stad en verder dan de winkelstraten van het centrum komen ze niet.
Het plein in het midden van de stad verwordt tot een grote oversteekplek. Een kruispunt waar mensen als mieren door elkaar krioelen, elk beladen met zijn eigen last.
De andere stad besluit tot bouwen. Voor het eerst in de geschiedenis verschillen de steden significant van elkaar. Er komt een museum voor actualiteit. De plek, zo spreken de plannen, moet meer zijn dan zomaar een museum. Het moet een ontmoetingsplaats zijn voor mensen. Een plek waar verschillen elkaar kunnen ontmoeten, waar gelijkgestemden met gelijkgestemden kunnen samenzijn.
“Het museum”, zo spreekt de directeur die is aangesteld bij de opening, “moet de burgers bij elkaar brengen, het moet een aantrekkingspool zijn in het midden van de stad, een plaats waar iedereen zichzelf kan zijn en kan terugvinden”.
De woorden vallen niet in dovemansoren. Het publiek is razend enthousiast over de steeds veranderende tentoonstellingen. Al snel worden bijeenkomsten georganiseerd voor muzikanten en amateurfilosofen, wielertoeristen uit heel de stad verzamelen op zondagmorgen voor het plein. Mensen die ver van elkaar wonen vinden elkaar in het midden van de stad.
Dat, beste lezer, kan het nut van sociale media zijn vandaag.
Onder de kop “TV-kijkers zouden probleemloos doden” las ik deze week in De Standaard dat:
Uit een Franse documentaire blijkt dat deelnemers van een tv-quiz moeiteloos een dodelijke stroomstoot toedienen als ze daarmee het spel kunnen winnen.
En ook dat
‘Onze (aan het woord is een begeleidende psycholoog) deelnemers zijn mensen die zelf ook televisie kijken. Ze weten dat je een goede speler bent als je doorspeelt tot het eind. Ons experiment toont aan tot welke verschrikkelijke macht de televisie inmiddels verheven is.’
Het verhaal achter de schreeuwerige kop: een televisiezender heeft het experiment van Milgram overgedaan. Het is een klassieker in het genre en iemand die ook maar zeventien minuten psychologie heeft gekregen, moet het experiment hebben besproken.
Men neme een onderzoeker, een proefpersoon en een acteur, men zette de acteur op een stoel. De onderzoeker vertelt de proefpersoon dat hij de acteur stroomstoten dient te geven wegens het falen bij een opdracht. Je kan daar wat in variëren: de acteur is hoorbaar en zichtbaar of juist niet, de onderzoeker dringt aan of verplicht, je kan de proefpersoon en de acteur kennis laten maken en het er laten uitzien dat de rollen toevallig worden verdeeld en meer van dat soort keuzeopties.
Milgram kwam in zijn originele studie tot 65% van de mensen die een stroomstoot van 450 volt zouden toedienen en hiermee het slachtoffer van het spel het hoekje om zouden werken. Waarmee in de jaren ’60 meteen het gedrag van de beulen uit de concentratiekampen werd geduid: wij zijn allemaal beulen. Of zoiets.
In Frankrijk is de test dus overgedaan. Als onderdeel van een reportage op een keurige Franse zender. Met camera’s erbij en spelleiders gaat tot 80% tot een stroomstoot van 460 volt. Jusqu’où va la télé? wordt er dan gevraagd. Tot wat is televisie in staat?
Het antwoord is: tot niets. Camera’s zijn in staat om te filmen en spelleiders zijn in staat mensen dingen te laten doen die ze anders niet zouden doen. Maar deelnemers aan spelletjes op televisie zijn geen steekproef uit de bevolking. Mensen die meedoen aan proefuitzendingen van een programma dat Zone Xtrême zal gaan heten al helemaal niet.
Maar het staat goed als je de verantwoordelijkheid voor je gedrag op een medium of op een instelling kan afschuiven. Het voelt geruststellend dat je weet dat je het zelf nooit zou doen als je voor de keuze stond. Het is zoals het eerste jaar van de universiteit: “kijk links en rechts van je en statistisch gezien zullen die mensen er volgend jaar niet meer bij zijn”.
O ja, na de testen van Milgram zijn een aantal deelnemers geestesziek geworden omdat ze ineens beseften dat ze een mens op gruwelijke wijze konden ombrengen. Misschien dat we daar nog wel iets over horen.
Twitter Updates
- Smartphonegebruik per leeftijd en OS in België bit.ly/J3vUlv 6 hours ago
- Kan er iemand eens een bezoekje brengen aan de brillenmarkt in Antwerpen en die mensen een nieuwe site verkopen? Thx. bit.ly/J3mDd0 7 hours ago
- (Mijn ervaringen met) Facebook’s business model bit.ly/JzpNtJ 8 hours ago
Tag cloud
android antwerpen apple barcamp BIRM blog bloggen bloggers Borgerhout business model communicatieanalyse content experiment facebook Fictie gender Gent google htc innovation internet ipad journalism journalistiek kindle Marketing media Nanowrimo nieuws online podcast privacy quote review Schaatsen social media sociologie tech45 technologie toekomst trends tumblr Twitter vioe woord van de week


Laatste reacties