Archive for the 'Nanowrimo' Category

La vie cachée de vous-même

Het is er nog van gekomen, een klein experimentje. Mijn eerste poging was op een mislukking uitgedraaid wegens té experimenteel. Deze lijkt wel geslaagd. De persoon die deze reeks heeft opgezet was er alvast zeer over te spreken. Meteen is het mijn laatste verhaal in deze serie. Gewoon, omdat de maand om is en de month uit national novel writing month november is.

Voor een evaluatie is het nog even te vroeg maar ik blijf wel stukjes schrijven, zoveel is zeker. Ik moet nog nadenken over de vorm die één en ander zal gaan aannemen maar daarover dus later meer. Veel leesplezier met mijn laatste nanowrimo-verhaal.

Disclaimer: mijn corrector is nog niet langs geweest.

La vie cachée de vous-même

We hebben vier personages. Twee mannen en twee vrouwen, dat komt goed uit. We hebben een dochter met haar nieuwe lief en een vader met zijn maîtresse. Als uitgangspunt zit ook dat goed. We hebben de spanning van de dochter tegenover de vader en de maîtresse. Daarnaast situeert zich het spanningsveld van de nieuwe relatie. We bevinden ons in een Parijs’ café. Parijs, de stad van de liefde, ook dat is niet geheel toevallig. Ons hoofdpersonage is Stefanie, de dochter en ook het kruispunt van de emotie. Even kijken hoe die op deze situatie reageert.

Stefanie zat, nog steeds van haar melk, aan het tafeltje van het kleine Parijse café waar ze dan maar met hun viertjes waren gaan zitten. Naast haar Frédéric. Tegenover haar haar vader. Daarnaast zat zij. Zij zonder naam. Zij die ze even tevoren met haar vader had betrapt.

“Dit is Eveline”, vertelde haar vader, “zij is mijn persoonlijke assistente”. Stefanie voelde de walging opkomen, keek van haar vader naar Frédéric, dan terug. Even kruisten haar ogen die van Eveline. Een fractie van een seconde maar. Ze keek haar vader aan met ogen waarin de vraagtekens zelfs voor hem te nadrukkelijk aanwezig waren om te negeren.

Het verhaal dat wij gaan vertellen gaat uit van de beperking. Niet meer dan 2200 karakters is het bevel, minder dan 1666 mag ook niet. Daarom zullen we er vaker wel dan niet voor kiezen om clichés te gebruiken. Dit is het eerste cliché, de vader is opgestoken met zijn persoonlijke assistente. Stel dat we een willekeurige persoon zouden nemen, dan zouden we een groot deel van onze tijd samen verspelen met het lezen respectievelijk schrijven van het verhaal van de kennismaking. We moeten voortmaken. Onze tijd is beperkt. Wat we niet weten is hoe de vader ertoe gekomen is met zijn persoonlijke assistente aan te pappen. We lichten een tip van de sluier.

Er kwam een fles wijn aan. De ober someerde Stefanies vader te proeven. “Très bien”. Zijn vaste uitdrukking voor caféwijn wist Stefanie. Haar vader kende iets van wijn maar was het stadium voorbij dat hij categoriek elke wijn weigerde die niet aan zijn hoge standaarden voldeed. Dat had hij vroeger wel eens gedaan. Tot grote schaamte van Stefanie en haar moeder.

Dan gingen ze wandelen in de heide en gingen ze iets drinken in het tot brasserie omgebouwde station. Haar moeder vond het oord verschrikkelijk, haar vader had het niet begrepen op de wijn. Stefanie vond de chocolademelk heerlijk. Wanneer hem daar een glas werd voorgezet en het beviel niet, aarzelde hij geen moment. Hij stond op. Trok zijn lange jas met de nodige zwier aan. Maande zijn vrouw en dochter aan tot snelheid, liet het geld, tot op de laatste frank afgemeten op tafel liggen en verdween in absolute stilte. Als hij een ober op zijn weg naar buiten trof, mompelde hij dat zij er ook niets aan konden doen maar dat ze hun baas moesten zien te vervangen. De meisjes die er opdienden, studenten nog vaak, werden rood en zeiden dat ze het zouden doorgeven. Dat het hun speet en dat hij eventueel een ander glas. Tegen die tijd had hij de deur al lang achter zich dicht gedaan.

Dat was haar vader ten voeten uit. Hij zou nooit keet schoppen, wat er ook aan de hand was. Haar moeder was zijn natuurlijke tegenpool. Zij liet nooit na haar spoor achter te laten, diep in de ziel van de mensen die haar zo goed mogelijk bedienden. Eens waren ze gaan eten in een nieuw restaurant dat net was opengegaan in hun buurt. Het menu maakte duidelijk op welk segment van de plaatstelijke bevolking ze zich wilden richten.

Stefanie was er samen met haar ouders geweest tijdens het openingsweekend. Zowat de hele buurt was er aanwezig. Ze zag haar vriendinnetjes van school aan de andere tafels in boekjes kleuren en tekenen, sommigen hadden hun gameboy meegekregen. Stefanie had helemaal niets meegekregen. Even probeerde ze wat creatiefs met het bestek maar tevergeefs. Ze moest aan tafel leren zitten zoals de grote mensen, had haar moeder haar aangemoedigd. Stefanie had een aantal ontsnappingspogingen gedaan maar was keurig door haar vader in het gareel gehouden. Toen één van de kelners met een kleurboek en potloden aan kwam zetten gaf Stefanies moeder een lezing over opvoeding en goede manieren. Niet alleen voor de ober en de rest van het personeel maar ook voor de tafeltjes in de ruime omtrek van datgene waar Stefanie en haar vader in stilte leden.

Telkens weer hadden Stefanies ouders ruzie over de opvoeding en in welke mate daar op verplaatsing van afgeweken kon worden. Haar moeder wilde onder geen beding van haar strenge opvattingen afwijken. Haar vader was veel soepeler. Ook in het matchen met verschillende mogelijke partners had haar vader zich afzijdiger opgesteld.

Cafés en restaurants zijn in deze korte reeks verhalen vaak gebruikt om aan te geven over welke personages het hier gaat. Stefanie, de dochter heeft een afkeer van sjiek, haar ouders zijn rijke mensen en gaan dus vaak duur op restaurant. Hier introduceerden we aan de hand van het culinaire een mogelijk breekpunt tussen de ouders. Het toont hun gelijkenissen maar ook en vooral hun verschillen. Dat moet onvermijdelijk tot conflicten lijden over de opvoeding van Stefanie, daar zijn we het over eens, niet? Eens kijken hoe de situatie rond het betrappen wordt opgelost.

Nu zat Stefanie tegenover hem in een Parijs’ café en dronken ze samen wijn. Ze toasten op Parijs. Stefanie probeerde het niet te laten opvallen dat ze niet met Eveline klonk. Die hield haar glas nog steeds boven het midden van de tafel, in de richting van Stefanie toen die het glas al aan haar lippen zette. De wijn was meer dan behoorlijk voor een café.

“Vertel”, zei haar vader, “hoe bevalt Parijs jullie”?  Haar vader beheerste de kunst om je op zo’n momenten op die vraag te laten antwoorden. Eigenlijk wilde Stefanie hém om uitleg vragen maar de kalmte straalde van haar vader af en dus begon ze de uitleg. Hoe ze die avond hadden gegeten, gewandeld hadden langs de Seine. Hoe ze de bruggen over waren gewandeld, hoe ze stil waren blijven staan bij de stalletjes die boekenverkopers er dag in dag uit, van vroeg in de ochtend tot ‘s avonds laat uitbaten. Frédéric toonde de poeziebundel die hij had gekocht ter illustratie.

Heel even wordt de spanning opgedreven. De wijn, de wandeling in Parijs, zijn allen niet tot het verhaal bijdragende elementen. Toch is de situatie van wederzijdse stilte niet lang vol te houden, we moeten immers naar een climax.

“Jullie zijn druk met het werk?”, Stefanie flapte het er ineens uit. Ze probeerde nog even neutraal te klinken maar wist dat er iets van haar gevoel in haar stem te verbergen. Eveline kleurde roder dan het logo op het antieke coca-cola uithangbord dat achter haar hoofd tegen de wand van het café was opgehangen. Ze stamelde even. Stefanie had met haar te doen. Ze moeten het spannend hebben gevonden, dacht Stefanie ineens. Spannend dat ze in dezelfde stad als zij rondwandelden en dat ze elkaar misschien wel zouden tegenkomen. Zij zouden dan Frédéric en Stefanie hebben gezien en zouden samen een zijstraatje zijn ingedoken. Daarna zouden ze naar hun hotel zijn gegaan. Nu was de spanning eraf en bleef Eveline op haar eerste woorden hangen.

“We waren hier voor een klant”, Stefanies vader nam de situatie opnieuw in handen. “We zijn gebleven voor het weekend, en inderdaad Stefanie, Eveline is inmiddels meer dan alleen mijn persoonlijke assistente”. Stefanie stond op en wandelde in de richting van de toiletten. Frédéric ging haar achterna. Stefanie huilde. Veel van haar vriendinnen hadden gescheiden ouders, sommige ouderparen waren uit elkaar gegroeid maar leefden nog wel samen. Stefanie kon binnenkort dus het verhaal van de persoonlijke assistente gaan opdissen. Het leek haar allemaal zo B, zo ordinair. Een verhaal uit de flair of andere vrouwenbladen.

Frédéric legde zijn hand op haar schouder. Zij drukte zich tegen hem aan. Daar stonden ze, midden in een Parijs café. Stefanie probeerde in te schatten wat het effect van deze avond op haar relatie met Frédéric zouden betekenen. De tranen liepen nu in beekjes langs haar wangen. Ze voelde hoe Frédéric zich nog iets dichter tegen haar aantrok. Ze hoorde hem troostende woorden spreken.

Het hoofdpersonage vlucht voor de ontstane situatie en wordt getroost door haar vriend. Zo zou het in stationsromans ook lopen. De verwijzing naar vrouwenbladen is dan ook een verwijzing naar de auteur, die zichzelf wil relativeren. We surfen van cliché naar cliché maar krijgen de echte personages niet te zien. Ze bestaan uit karton en hoe hard we ook ons best doen, leven is er niet in te krijgen. De lezer heeft weinig nodig om het verhaal in te kleuren en iedereen kan zich herkennen in de situatie. Ergens moet er een uitweg gevonden worden voor de patstelling waar we ons in bevinden. Een flashforward naar huis zit er niet meer in, alles moet aan dat tafeltje in Parijs worden opgelost.

Stefanie zette zich terug op haar plek en excuseerde zich. Eveline wist zich geen blijf met haar handen. Nu weer eens legde ze gevouwen op het tafeltje, dan weer in haar schoot. Ineens nam Stefanies vader haar handen vast, leidde haar linkerhand in zijn rechter en legde er zijn linkerhand overheen. Haar kleine handen verdwenen in zijn grote handen. Ze leek te kalmeren.

“Mama en ik zijn al een tijdje op zoek”, sprak haar vader. De uitleg waar Stefanie niet zat op te wachten zat eraan te komen. “Na al die jaren samen begon er sleet op onze relatie te komen, we hebben jou erbuiten willen houden. Stefanies wereld stortte in. Met het verval van haar ouders’ relatie waren alle zekerheden ineens verdwenen. Ze had niets doorgehad, er waren ruzies, en ze merkte ook dat haar vader zich hard op zijn werk stortte maar dit had ze niet verwacht.

“Hoe lang al”, Stefanie kreeg het maar net gezegd. “Twee jaar”, haar vader had duidelijk beslist dat het uit was met de geheimdoenerij, dat Stefanie er nu mee zou moeten kunnen omgaan. “Heeft mama ook…?”, Stefanie keek onwillekeurig in de richting van Eveline. Haar vader dacht van niet, maar zeker kon hij het haar niet vertellen. Hij vertelde hoe Eveline tweeënhalf jaar geleden zijn assistente was geworden en hoe zijn gevoelens voor haar waren gegroeid terwijl zijn huwelijk aan het slabakken ging. Hij vertelde Stefanie, die steeds vaker naar een geïnteresseerd luisterende Frédéric begon te kijken, hoe hij en haar moeder op zekere dag hadden afgesproken om samen te blijven. Hun verstandhouding was nog steeds goed maar de sleet was op hun relatie komen te zitten, niet meer, niet minder.

Een shockerende gebeurtenis voor de dochter. Onder haar neus (en dus ook onder de neus van u, de lezer) hebben twee keurige, sjieke mensen waarvan je helemaal niet verwacht dat ze scheve schaatsen rijden met elkaar afgesproken dat het wel kon, als één van hen daar behoefte mocht aan hebben. Langsheen het liefdesverhaal van twee jonge mensen liep een verhaal dat misschien veel interessanter was. Wij hebben er echter voor gekozen om dat niet eerder te vertellen.

Stefanie stond op en trok haar jas aan. Frédéric, die als een huisdier aan een lis inmiddels aan haar vast hing deed hetzelfde. Hij zag hoe ze haar vader tot weerziens kuste. Hij drukte de man die hij voor het eerst had ontmoet in deze pijnlijke omstandigheden de hand en zag op dat moment uit zijn ooghoek hoe Stefanie de nieuwe vlam van haar vader een tik in het gezicht verkocht. Hij zag hoe de vingers zich aftekenden op de wang van Eveline en hoe het hele café keek wanneer een tranen met tuiten huilende Stefanie de deur doorliep, zich omdraaide en Frédéric tot spoed aanmaande.

Een open einde. In dit geval een sociale optie. Dit verhaal kadert in een serie waaraan meerdere auteurs meewerken. Het volgende verhaal kan opnieuw één van deze personages gebruiken. Het open einde waarbij de verschillende personages hun eigen weg gaan, laat die persoon toe vrij te kiezen. Als ik haar vier personages zou geven, dient zij hen te scheiden of zit ze met hen opgezadeld voor een nieuw verhaal waardoor alles stil zou komen te vallen. Indien ze niet verdergaat met deze personages kan u, de lezer vrij kiezen welke richting deze individuen uitgaan. Vrij totdat een schrijver u op zal leggen te weten waar deze wat verder ingekleurde kartonnetjes uitgaan.

Requiem voor een nieuwe relatie

Mijn zesde en voorlaatste verhaal voor NaNoWriMo. Wat voorafgaat lees je voor één keer bij Gudrun. Van haar nam ik het Annelies-personage over. Als Chinese vrijwilliger schreef ik het verhaal van Kevin, een personage dat al min of meer bestond in enkele verhalen van Anne maar waarvan de achtergrond nog niet helemaal bestond. Hieronder vind je dus min of meer een verhaal op bestelling, binnen het nieuwe van het schrijven dus weer iets nieuws voor mij.

Overigens hoorde ik gisteren een podcast van De Buren waarin Jeroen Olyslaegers getuigde over zijn wedervaren in Oostende, waar hij zich bevond voor het schrijven van een verhaal in het kader van de Stadsboeken die er bij De Buren zitten aan te komen. Hij vertelde dat hij tevreden was over het resultaat, na een week werk had hij 2 A4′tjes vol. Amateur! Slakkenschrijver! Allez, zijn verhaal zal een keer of 45 beter zijn hé, maar ik wil me er ook nog wel eens aan zetten aan een mooi uitgewerkt verhaal. Een boek misschien. Wie weet. Eerst dit maar tot een goed einde brengen.

NOTITIE: mijn privécorrector is hier nog niet door kunnen gaan, maar het moest eigenlijk al lang online dus nog even met eventuele fouten

Requiem voor een nieuwe relatie

Het was tien voor elf. Annelies zat met een glas rode wijn op de bank. Denkend, starend. De televisie spuwde voer voor gewillige kijkers maar haar hoofd stond niet naar televisie. Die moest vanavond de ruimte proberen vullen. Roberta was twee dagen geleden opnieuw naar Amerika vertrokken en sedertdien was haar appartement een lege, holle ruimte geworden. Televisie, hoe huiselijk de scènes, hoe luid ook konden de ruimte niet meer vullen. Ze vond het nooit erg om alleen te zijn. Maar nu leek de plek ineens een stuk leger.

De overgaande telefoon deed de leegte uiteenspatten als een zeepbel die na een tocht die onvermijdelijk slecht moest aflopen tegen de scherpe hoek van een tafel stoot. “Annelies”, zei ze kortaf. Ze haatte nummers die zich als onbekend lieten herkennen.Vaak liet ze haar telefoon uitrazen. Mensen aanspreken doe je ook niet met een bivakmuts op, was haar redenering.

Haar telefoon, die langsheen het kabaal van een televisieshow de ruimte verder probeerde te vullen met een nummer van een Amerikaanse band waarvan ze de naam was vergeten, viel deze keer echter om één of andere reden niet te negeren. “Met Kevin”. Even overwoog ze te zwijgen en te luisteren om dan even gedecideerd terug dicht te leggen. “Dag Kevin” hoorde ze zichzelf zeggen.

Daarna sprak ze de door haar zo verfoeide woorden “Hoe gaat ie?”. Dat waren de woorden die hij had moeten zeggen. Dat waren de woorden die hij altijd gebruikte als hij na enkele maanden absolute stilte opnieuw aan de telefoon hing. Dat waren de woorden waarop zij een zo kort mogelijk antwoord probeerde te formuleren. Zij zei meestal weinig tijdens hun telefoontjes. Als Kevin belde, was dat omdat hij wilde vertellen. Dus liet ze hem zijn gang gaan.

Of ze nog af wou spreken? Vanavond nog. Dat kon. Hoewel of misschien doordat ze al enkele glazen had gedronken, verliep het iets makkelijker om de draad opnieuw op te pikken. Hij stelde het oudemannencafé achter de hoek voor, zij vond alles ok, als ze maar niet te ver moest wandelen.

Het oudemannencafé was in het laatste jaar uitgegroeid tot een puliekslieveling onder het trendy volkje. De sanseveria’s achter de ramen, het kruisbeeldje boven de deur die uitgaf op de koer, het spiegelraam achter de glazen. Alles was net fout genoeg om het weer goed te maken. Alice, die eigenlijk haar café had willen sluiten had de heropleving van haar zaak met lede ogen en een glimlach op het gezicht aanzien. “Een spaarcentje voor later”, zei ze tegen haar vaste stamgasten die het café al van vroeg in de ochtend bezetten en het pas net voor het avondeten vrijgaven aan de jonge garde die na het werk nog iets kwam drinken.

Wanneer Annelies aankwam, had Kevin zich al een tafeltje geïnstalleerd. Hij zat achterovergeleund op de zeteltjes die gemonteerd waren tegen beide wanden van het bruine café. Op het tafeltje stonden nog twee glazen. Annelies voelde zich bekocht. “Ik ben reservespeler vanavond zie ik” zei ze verwijtend. Kevin gaf haar een brede glimlach die haar meteen spijt deed krijgen van haar harde uitspraak. “Ik was hier na het werk iets komen drinken met de collega’s en omdat het bij jou om de hoek was, dacht ik dat je het leuk zou vinden”.
“Misschien had ik het ook wel leuk gevonden met je collega’s erbij” kaatste Annelies de bal terug, “ik had een bezoeker de laatste twee weken, die is nu opnieuw naar Amerika en mijn bed is opnieuw koud als ik er ‘s avonds in ga liggen”. Kevin’s oog maakte even een trekkende beweging, alsof hij wou knipogen maar zijn ooglid verzet bood.

Ze heften het glas en zeiden dat ze het niet meer zo lang mochten laten wachten om af te spreken. Hoewel ze beiden wisten wie daarvan het meeste schuld trof.

“Waarvoor had je me nodig?” Annelies vroeg het opnieuw veel harder dan ze het eigenlijk bedoelde. Hij haalde zijn handen van zijn schoot, legde die de een na de ander op het tafeltje, dertig centimeter uit elkaar, vouwde zijn handen en boog voorover. “Ik ben opnieuw verliefd”, zei hij. Annelies’ hart kromp in elkaar. Sedert ze Kevin kende, waren er enkele schermutselingen geweest. Meestal bleven ze na een avondje stappen bij elkaar slapen, ze waren wel eens een weekend naar de Ardennen geweest, samen met een ander koppel en toen had Annelies heel even het gevoel gehad dat ze een koppel waren.

Kevin had haar echter meteen duidelijk gemaakt dat het niets zou worden. “Bindingsangst” had hij het de eerste keer genoemd. “Lisa-vrees” noemde Annelies het. Hij was zijn vorige lief nooit vergeten. Annelies had het gevoel dat Kevin nog altijd op haar aan het wachten was. Telkens was het wakker worden naast hem dan ook een nachtmerrie. Dan wist ze dat ze zichzelf voor heel even iets wijs had gemaakt. Dat ze heel even had gedacht dat ze ooit op de eerste plaats zou komen.

Als Kevin wakker werd, wist ze snel beter. Zij deed alsof ze sliep. Hij stond op, trok zijn boxershort aan een zocht de badkamer op. Ze hoorde het water lopen en zag de scene die zich achter het mat plastic scherm afspeelde helemaal voor zich. Ze hoor de handdoek over zijn grote lijf gaan. Ze hoorde het ritsen en het knopen. Zijn schoenen. Een kus op haar wang of voorhoofd. De deur.

Op die momenten huilde ze tranen met tuiten. Telkens weer voelde ze zich gebruikt. Even vaak liet hij daarna een tijd niets meer van zich horen. In het begin dacht ze dat hij het deed om haar te kwetsen, om de wonde extra groot te maken. Ze kwam er echter snel achter dat het schuldgevoel was. Vluchtgedrag om haar even niet onder ogen te hoeven komen. Dat hoorde ze toen ze als bij toeval een goede vriend van hem ontmoette.

Weken, soms enkele maanden later zou hij terug contact opnemen. Zij vond dat dat haar taak niet was. Zij had het contact niet verbroken. Telkens weer kwam er een telefoontje, een bericht, via facebook, liefst zo vrijblijvend mogelijk. Even vriendelijk als altijd. Geen excuses, liefst een zo open mogelijk hoi en dan het verhaal dat hij kwijt wilde.Dan probeerde Annelies hem op afstand te houden maar vroeg of laat versukkelde ze met hem in dezelfde cirkel.

De wijn en de rook legden een steeds dichter wordende nevel over de donker wordende avond. Annelies had maar één woord moeten zeggen en Kevin was losgebrand. Hij had verteld over zijn nieuwe liefde en Annelies was steeds dieper in elkaar gedoken. Hij trok er zich niets van aan. Wist niet hoezeer hij Annelies met zijn verhaal kwetste. Zij had zich drie dagen miserabel gevoeld na het vertrek van Robby en dacht dat dit een gezellige avond zou gaan worden. Niet dus. Hij wou vertellen.

Kevin vertelde met een vuur waarop hij sprak tijdens de hoogtepunten van hun samenzijn. Zoals op de dagen waarop ze samen naar haar appartement zouden trekken en naast elkaar in slaap zouden vallen. Nu vertelde hij over iemand anders. Eerst was ze tweede in rang geweest. Telkens weer voelde ze de schaduw van Lisa over hen hangen. Hoewel ze ver weg in Amerika zat, was ze steeds weer spelbreker geweest. “Ik kan haar niet vergeten, sorry”, het was één van Kevins zinnen geweest waar hij haar mee in de vergeetput duwde.

Ze bestelde nog een glas rode wijn. Hij hield het bij bier.

Nu was er dus een ander. Kevin vertelde hoe hij haar had ontmoet op een interne netwerkingdag. Sedert de campus was uitgebreid en dat meer en meer disciplines in het zelfde gebouw werden gehuisvest kende niemand niemand nog. Iedereen liep door de gangen hopen kennis mee te dragen en mensen die hetzelfde probleem hadden waren op nauwelijks vijf meter van elkaar bezig dat probleem op te lossen. De netwerkmeetings waren bedoeld om kennis te delen maar de avonden liepen vaker wel dan niet uit en na enkele glazen werd de sfeer hoe langer hoe informeler. De kennis werd, net als de tafels en de stoelen aan de kant gezet en met behulp van hun computers en en iPods, een meegebrachte boxenset werd een muziekje gedraaid. Sommige collega’s waagden zelfs een danspasje.

Zij werkte op een andere afdeling maar hun onderzoek hield nauw verband. Ze hadden afgesproken om in de komende dagen samen te gaan eten en dan verder te vertellen. Het gesprek was daarna afgegleden naar hun persoonlijke levens. Zij hield van lezen. Ze schreef ook. “Maar alleen voor eigen gebruik”, vertelde ze. De kwaliteit van mijn schrijfsels is niet van dien aard dat ik ze uit zou kunnen geven. Liever stapelde ze alles op in files op haar computer. Sommige stukjes had ze uitgeprint, om zeker te zijn dat ze een crash van haar computer zouden overleven.

Dat vond Kevin intrigerend. Als hij dat “intrigerend” uitsprak, zag Annelies een soort glinstering door zijn ogen gaan. Dan wist ze wat ze miste. Intrigerend zijn. Annelies was nooit intrigerend voor hem geweest. Daarvoor kenden ze elkaar al te lang. Het nieuwe kan intrigerend zijn, het oude kan veranderen maar intrigerend wordt dat niet meer.

Ze bestelden opnieuw. De glazen werden gebracht. Annelies vroeg welke wijn ze aan het drinken was. Het barmeisje dat de plaats van Alice inmiddels had ingenomen bracht de fles. Annelies greep de fles, bestudeerde het etiket, probeerde de tekst in het Spaans op de achterkant te lezen en gaf ze terug aan het barmeisje. “Goede keuze meid, doe zo voort”, lachte ze. Ze begon het effect van de wijn te voelen. Nu moest ze zichzelf in de gaten houden.

Kevin en zijn nieuwe vlam die Karen bleek te heten, waren de dag na het netwerken uit eten gegaan. Zij had één van haar verhalen meegebracht. Kevin vond het best goed geschreven en de vragende ogen achter die hij boven het blad bleef zien, hadden bij hem een spontane “waw” doen ontstaan. Zij was rood geworden. Hij had in haar ogen gekeken en “echt” gezegd.

“Is er dan iets tussen jullie?”. Kevin was ineens stilgevallen op het moment dat voor Annelies het verhaal nog moest beginnen. Hij schudde zijn hoofd. Wist niet hoe het kwam. Hij, de onthechte, was in zijn schulp gekropen. Dat zag Annelies. Er was iets wat hij verzweeg. Dat zag ze zo.

Het café was inmiddels leeg gelopen, het barmeisje was begonnen met de tafels schoon te maken. Annelies voelde de adem van de sluiting in haar nek blazen. “Zullen we op mijn appartement nog een afzakkertje doen?” vroeg ze. Ze stonden recht en deden hun jassen aan. Het meisje achter de bar wuifde hen uit, de nacht tegemoet.

Als ze buitenkwamen greep Kevin haar ineens vast en gaf haar een knuffel. “Ik ben niet lief voor je geweest”, zei hij, “ik wil het goedmaken”. Annelies werd warm en koud tegelijk. Wist geen blijf met haar handen, legde die tenslotte op zijn rug en drukte zich stevig tegen hem aan. “Geeft niet”, fluisterde ze.

De foto

Eigenlijk had hier vanavond een nieuw nanowrimoverhaal moeten staan, het is echter nog niet klaar. Mijn collega’s weten daarvan, geen nood. Als voorproefje alvast de bijhorende foto voor de verhalensite waar alle verhalen gegroepeerd worden.

Chaostheorie

Mijn vijfde verhaal uit de nanowrimo-cyclus. Het is niet mijn beste, dat is nog steeds het eerste, dit is wel het constructiefste. Het verhaal van Vicky wat aan dit verhaal voorafgaat, leek ons beiden niet helemaal af. Daarom heb ik besloten haar personage verder uit te diepen en er een extra verhaallijn aan toe te voegen.

Het is mijn hoop en overtuiging dat Gudrun deze opbouw verder kan afwerken en er een verhalenreeks binnen de verhalenreeks van kan maken.

Chaostheorie

Stefanie was uit Parijs teruggekeerd met een glimlach op haar gezicht. Ze was tot grote verbazing van haar chauffeur vooraan plaats komen nemen en had onderweg honderduit gepraat over haar afspraakje van de avond ervoor. Ze had voor een keer enthousiasme getoond over de keuze van haar ouders.

Frédéric was het beste afspraakje tot nu toe geweest en het avondje uit in Parijs had het helemaal af gemaakt. Ze vertelde over het restaurant en over de dancing waar ze nog waren beland en hoe ze, toen het al bijna ochtend was, het hotel waren binnengekomen alwaar ze afscheid hadden genomen op de gang. Ze glimlachte even toen ze het vertelde. Liep een beetje rood aan. Hij sliep één verdiep hoger, vandaar.

Ze vertelde over het ontbijt dat ze samen hadden genomen en hoe de bediening minzaam had gelachen toen ze samen de trap afdaalden. De serveuse van dienst bracht de koffie en vroeg of alles naar wens was. Ze hadden beiden zo heftig van ja geknikt en oui, oui toegevoegd dat ze samen in lachen waren uitgebarsten.

Toen had het gesprek zich gekeerd, vertelde ze, ongebruikelijk open tegen haar chauffeur. Ze hadden zich daar, aan dat ontbijttafeltje, gebogen over heerlijk ruikende koffie, croissants en toasts, afgevraagd hoe het nu verder moest. Zij zou terug naar België reizen, hij zou de andere richting uitgaan. Helemaal terug naar Zuid-Frankrijk.

Ze zouden contact houden, ze zouden elkaar mailen. Stefanie zou ook brieven sturen, dat vond ze romantisch. Haar ogen werden vochtig. 1134 kilometer hadden ze uitgerekend.

Intussen draaide de limo de lange, met eiken afgeboorde oprit van het huis op. Stefanie bleef even zitten. Ze zuchtte. “Maman zal een volledig verslag verwachten. Ik ben er niet klaar voor om dit aan haar te vertellen, geef jij haar een samenvatting? Ik ga een balletje slaan.”

Stefanie schakelde de ballenmachine in en mepte de ballen met haar racket terug. Een van de ballen vloog zo ver over de omheining dat ze die even later met een scherpe metaalklank op de paardenstallen hoorde neerkomen. Lightning, het paard van haar vader hinnikte luid. Knalde even later met de voorpoten tegen zijn kooi. Stefanie vond het wel genoeg zo. Ze liep even op en neer om het beest te kalmeren en ging via de achteringang het huis binnen. Ze hoopte haar moeder te ontlopen. Even uitstellen nog.

Ze glipte de achterdeur door, de oude dienstentrap op, de gang door, het bordes over, haar kamer binnen. Het mocht niet baten. Nauwelijks had ze de deur van haar kamer achter zich dichtgetrokken of ze hoorde drie harde tikken tegen de zware deur. “Ik maak mij klaar om te douchen, maman”, riep Stefanie terug: “ik vertel het je zo”. Stefanie zag door het dikke hout van de deur het gezicht van haar moeder op onweer trekken. Daarna hoorde ze het geruis van haar kimono wanneer ze zich omdraaide. Tenslotte voetstappen op de trap.

Stefanie ging onder de douche. Veel langer dan gewoonlijk. Het water had een verlichtende invloed op haar gemoed. Een gemoed dat sedert haar thuiskomst op een toenemend gemis had gewezen. Maar heel even waren ze samen geweest en toch. Vonken en vuur. Ze dacht aan de avond ervoor. Werd warm en koud tegelijk. Ze stapte de douche uit en plofte op bed. Uitgeteld.

Drie droge tikken op de deur waren het eerste wat Stefanie waarnam. Hoe lang had ze geslapen? Waren het minuten of uren. Het licht dat door de ramen scheen was een stuk minder geworden.
“Stefanie?”.
“Ik kom, maman, ik was in slaap gesukkeld”.

Stefanie glipte de badkamer binnen, trok snel een kleedje aan en haastte zich naar de deur. Net voor ze de sleutel wilde omdraaien opnieuw drie tikken tegen de deur. Harder deze keer. “Stefanie”, haar moeder duwde het hard en verwijtend door haar bijna gesloten mond.

Nauwelijks had Stefanie de sleutel omgedraaid of de deur zwierde al in haar richting. Stefanie wist de deur nog ternauwernood te ontwijken. Haar moeder repte zich meteen naar de hoek van het bed waar iemand duidelijk net dwars over had gelegen. Stefanies lijf stond nog duidelijk afgedrukt op het onderlaken. Met enkele rake rukken trok Stefanies moeder het onderlaken opnieuw op zijn plek.

“Heb jij net…”, haar moeder hield zich in, “vertel eens over gisteren”. Stefanie deed het verhaal zoals ze het eerder tegen haar chauffeur had gedaan. Uiteraard liet ze het deel over de late terugkomst in het hotel, het ontbijt dat ze bijna hadden gemist maar dat ze dankzij het vriendelijke personeel nog hadden mogen nuttigen tussen de middagmalende gasten en het trieste afscheid achterwege.

Ze vertelde haar moeder dat haar keuze van uitgaanspartners er met rasse schreden op vooruitging. Ze gaf haar een kus op de wang en verdween door de deur, de trap af, de tuin in. Het was warm voor de tijd van het jaar maar toch haastte ze zich al snel terug naar binnen. Ze nestelde zich op de bank. Ze hoorde haar GSM. Stefanie had behalve voor tennis en squash nooit veel gevoel gehad voor sport, maar het traplopen ging haar ineens heel goed af. Terwijl ze de trap opliep ging één, twee, drie, vier keer de GSM over Stefanie telde mee ze had tot zeven om bij de telefoon te komen. Bij tel vijf had ze het ding te grazen. Een Frans telefoonnummer. Haar hart liet één tel het ritme vallen om meteen daarna weer aan te trekken.

“Met mij”, de stem van haar vader, “hoe is het geweest?” Stefanie kon haar teleurstelling nauwelijks verbergen, maar wist nog snel haar stem naar blij om te schakelen. Ze vertelde het verhaal van de avond nu voor een derde keer en bedacht dat ze de volgende keer misschien haar laptop mee moest nemen, een verslagje schrijven en het meteen na de afspraak doorsturen. Ze hoorde zichzelf het verhaal vertellen van aankomst in het hotel tot aan het ontbijt.
“Van waar bel jij nu paps?”
“Uit Parijs, lieveling, ik ben hier voor het werk”.

Stefanie voelde een aandrang om de auto te laten voorrijden en haar vader achterna te reizen naar de lichtstad maar ze besefte dat Frédéric er helemaal niet zou zijn. Ze wilde haar vader een goede avond wensen toen ze een vrouwenstem iets hoorde roepen. “Waar ben je paps”, vroeg Stefanie haast fluisterend. “In de vergaderruimte van het hotel, we doen hier straks nog een meeting, ik zie je zondag”.

Stefanie legde dicht en bleef nog even op de rand van haar bed zitten. Haar vader had vreemd geklonken vond ze ineens en wie was die vrouw op de achtergrond? Ze herkende de stem maar kon er geen vinger op leggen.

Stefanies moeder trok inmiddels aan de bel. Stefanie vond het een stom systeem maar haar moeder was altijd van het principe geweest dat er in huis niet mocht worden geroepen. Niet dat het daarbuiten toegestaan was, maar binnen was het uitdrukkelijk verboden. Daarom was er in de gang een bel geïnstalleerd. Met een zacht trekken aan de koord weerklonk door het hele huis een getingel waar Stefanie zenuwachtig van werd en dat iedereen opriep om aan tafel te komen of om zich naar beneden te begeven omdat er vertrokken moest worden. Stefanie vermoedde dat het eten geserveerd zou worden.

Ze nam voor de zekerheid haar GSM mee naar beneden en zette het ding op trilstand. Hoewel telefoons in de regel werden uitgeschakeld wanneer er gegeten werd, zou haar moeder in dit geval wel begripvol zijn, dacht Stefanie.

De telefoon ging niet over, het eten verliep in een ongebruikelijke stilte. Zeker met haar geslaagde date had ze haar moeder iets praatgrager verwacht, al was het maar om het laatste detail van haar afspraak te weten te komen. “Je vader is naar Parijs”, meldde haar moeder ineens, strak en droog, “ik heb er geen goed gevoel bij, hij is zo afwezig de laatste tijd”. De vrouwenstem die Stefanie aan de telefoon had gehoord, flitste door haar hoofd, ze verslikte zich haast in haar reepje quornfilet. Ze herstelde zich snel.

“Hij is toch vaak in het buitenland”, stootte Stefanie eruit. Haar moeder was niet overtuigd. “Vroeger had ik zijn planning voor drie maand ver, nu moet hij vaak op het laatste moment overwerken of moet hij inspringen voor een zieke collega of gaat hij naar congressen waar hij de naam telkens weer van vergeet”. Stefanies moeder trok een zorgelijk gezicht, haar ogen werden vochtig.

Er was meer aan de hand, dat zag Stefanie zo. “Het zou niet de eerste man zijn”, besloot haar moeder met een zucht. Ze stond op en ruimde haar bord op. Het was woensdag dus ging ze sporten, dat wist Stefanie. Normaal bleef ze echter aan tafel tot iedereen klaar was. Ze verdween snel de trap op, kwam terug, telefoon in de ene, sporttas in de andere hand.

Die avond belde Frédéric nog op. Toen Stefanie ophing voelde ze zich belabberd. De situatie met haar moeder, de afstand tot Frederic. Coup de foudre? Alles aan haar was op drie dagen tijd van absolute zekerheid tot absolute chaos verworden. Zij, Frédéric, haar vader, de vrouwenstem, haar moeder, de tranen.

Stefanie trok haar jurk uit en legde zich op het bed. Ze keek naar het plafond. Dommelde in.

Het gat van Pandora

Wat je noemt een zware bevalling, dit nieuwe nanowrimoverhaal. Het is te zeggen. Deze middag zo rond een uur of vijf had ik mijn verhaal klaar. Tot ik het doorstuurde ter nalezing en goedkeuring.

Omdat het zondag is en ik best wel wat tijd wil investeren in mijn verhalen, vond ik het nodig mij aan een experimentje te wagen. Het bleek om een mislukt experiment te gaan. In december of volgend jaar, herwerk ik die editie wel een keer en leg ik het u voor.

Dit verhaal is dus het B-verhaal. Minder tijd ingestoken, niet erg origineel. Maar wel 1872 woorden. Waarmee ik weer ruim boven mijn quotum uitkom. Kwantiteit en kwaliteit. Het blijft een dunnen lijn om te bewandelen tijdens zo’n nanowrimo-maand.

Het gat van Pandora

Benno Snijers zit op een bankje aan de rand van het water. Hij schuift zijn laptop uit zijn hoes, neemt hem op schoot en kijkt naar de onmetelijke waterplas. Sinds zijn vrouw is overleden, heeft hij geen woord meer op papier gezet. Maar hij is er vast van overtuigd dat hij vandaag opnieuw een verhaal zal neerpennen. Een kortverhaal of een stuk poëzie. Iets wat tastbaar is. Iets wat hij naar zijn uitgever op zal kunnen sturen ook. Zijn vaste uitgever doet de laatste tijd vervelend. Als hij niet snel wat zou kunnen voorleggen, dan zou zijn contract herbekeken worden. Dat ‘herbekeken’ had de uitgever vergezeld laten gaan van het bekende aanhalingstekengebaar, daarmee volstrekt duidelijk makend dat het schrijven of de deur zou worden.

Zijn uitgever had hem vijf jaar geleden met luide trom als nieuwe auteur binnengehaald. Het succes van zijn laatste boek was op dat moment tot in de hoogste regionen doorgedrongen, maar hoewel de directeur-generaal zijn literaire kwaliteiten op de druk bijgewoonde persbijeenkomst bewierookte, wist Benno wist dat hij níét daarvoor werd binnengehaald. Hij was samen met zijn uitgeverij overgenomen. In feite was hij zelfs de enige reden geweest waarom de uitgeefmastodont überhaupt geïnteresseerd was in de activiteiten van zijn voormalige pleitbezorger.

Zijn succes was er niet zonder slag of stoot gekomen. Zijn eerste boeken waren hoofdzakelijk door bibliotheken aangekocht om aan de quota voor Vlaamse auteurs te voldoen. Tot hij “Het gat van Pandora” schreef. Een populaire radiojournalist had het boek gelezen en verhief het tijdens zijn ochtendshow tot hét boek dat iedereen gelezen moest hebben. Wat iedereen prompt leek te gaan doen. Voor Benno er erg in had, verscheen zijn hoofd op de voorpagina van populaire weekbladen en gaf hij interviews in populaire talkshows op televisie. Hij maakte plots deel uit van panels op zogenaamd literaire debatten.

“Het gat van Pandora” verkocht als zoete broodjes. Zijn eerdere boeken werden heruitgegeven en in verzamelboxen van de Nederlandstalige literatuur dook zijn naam steeds meer op. Een vervolg drong zich op. Zeker na de overname van de uitgeverij werd de druk om een populair vervolg te produceren steeds groter.

Meerdere keren had zijn uitgever er tijdens het schrijven van zijn nieuwe boek op aangedrongen dezelfde stijl aan te houden als die hij bij “Het Gat van Pandora” had gehanteerd. De iets gewaagdere stukken die Benno er subtiel had proberen doorheen te weven, werden systematisch uit de uiteindelijke versie van het boek geweerd. Op die manier kreeg de uitgever waar hij om gevraagd had. Een vlot leesbaar stuk literatuur met herkenbare personages en een goed, degelijk verhaal dat vooral over de toonbanken zou vliegen.

Op één van de feestjes die de uitgeverij gaf na weer eens een bestseller van een auteur uit hun gelederen had de uitgever het Benno eens uitgelegd. Niet in het minst geremd door de grote hoeveelheid alcohol die hij gedurende de avond al achterover had gewerkt, deed hij Benno versteld staan. “Een goed verhaal, wie zoekt een goed verhaal?”, had hij geroepen, “goed verkopen doe je met marketing, niet achter je schrijftafel. Kijk maar naar die Dan Brown. Niet slecht geschreven hoor, maar nu ook weer niet dat je zegt van…” Hij zocht even naar woorden: “ach je weet wel, die Brown is geen Shakespeare en dat ben jij ook niet, dat moet je je maar eens gaan realiseren.”

Toch had Benno na het tweede succesverhaal zijn stoute schoenen aangetrokken, was op zijn uitgever afgestapt en had hem gevraagd of hij met zijn volgende boek wat meer zijn eigen ding mocht gaan doen. Het schrijven op bestelling van het tweede succesboek was hem zwaar gevallen en het zou nu of nooit worden als hij nog eens een literaire prijs wou veroveren. Dat laatste had zijn uitgever overtuigd. Of je nu boeken verkoopt door de marketingdeal die je hebt met een radiozender, of je haalt je cijfers door prijskapers in huis te hebben, cijfers zijn cijfers, dat argument konden ze boven ook begrijpen.

Benno zette zich aan het schrijven van wat zijn meesterwerk moest gaan worden. Hij was tenslotte al 63 en als hij het nu niet zou schrijven, dan zou het wel nooit meer gebeuren. De Shakespeareuitstpraak van zijn uitgever bleef wel in zijn achterhoofd hangen, maar eens hij aan de schrijftafel zat voelde hij zich Shakespeare, Dante en Joyce in één. Alleen wilden de harde zinnen niet zo goed komen.

Wanneer zijn vrouw Ella hem midden in de namiddag koffie kwam brengen, viel het hem op hoeveel hij van de gezelligheid hield. Maar daarover wilde hij nu voor één keer niet schrijven. Een verhaal over het alledaagse, dat had hij zijn hele leven al gedaan. Losliggende tegels, guitige loketbedienden met bakkebaarden, gewone mensen met gezellige huizen, vrouwen en kinderen, dat was zijn specialiteit. Deze keer zou hij het anders aanpakken. Dit boek schreef hij voor de geschiedenis.

De eerste stukken die hij aan zijn uitgever afleverde, had hij al eerder, tussen het schrijven van zijn tweede succesroman door, neergepend. De uitgever had ze veelbelovend genoemd en hoewel Benno stellig de indruk kreeg dat hij er geen woord van had gelezen, had het hem toch een hart onder de riem geleken.

Toen de volgende delen wat langer op zich deden wachten, was zijn uitgever ongeduldiger geworden. Benno had na verontruste e-mails enkele oproepen op zijn GSM gekregen. Meestal had hij impulsief naar de rode knop van zijn toestel getast. Aan voicemails deed hij niet mee.

Intussen ging het met de gezondheid van zijn vrouw bergaf. Aan het begin van het jaar werd een tumor bij haar vastgesteld. “Goedaardig”, had de behandelende arts hen toen gerustgesteld. Maar er zouden geen risico’s worden genomen. Een operatie bracht uitzaaiingen aan het licht en Ella moest in het ziekenhuis blijven. Ze zou nog twee keer naar huis komen. De eerste keer om te bekomen van haar eerste kuur, de tweede keer kort voor haar dood.

Benno hield ervan om ergens in de stad te zitten schrijven. Hij koos zijn plekken strategisch uit. Hij hield zich vaak op in het Centraal Station. Het verwelkomen, het uitwuiven. Altijd die staat van gehaastheid. “Het leven wordt geregeerd door klokken,” zei hij tegen Ella, toen hij haar meenam voor de middagkoffie in het stationsbuffet. De zaal was uitgerust met stationsklokken in verschillende groottes en verschillende stijlen.

Ook de cafés in het centrum van de stad waren plaatsen waar hij vaak kwam. Hij bestelde dan een koffie aan de bar en keek rustig in het rond. Terwijl de man of vrouw achter de toog aan de gang ging met het koffieapparaat, liet hij zijn ogen door het café dwalen, op zoek naar interessante personages. Dan zette hij zich aan een tafeltje, haalde zijn schrijfblok van tussen zijn krant, legde die zo onopvallend mogelijk op zijn schoot en begon aan het kruiswoordraadsel. Tussen 6 verticaal en 7 horizontaal liet hij zijn pen naar het papier zakken op zijn schoot zakken en schreef enkele woorden op.

Sinds hij zich een laptop had aangeschaft -zijn schrijfijzer, zoals hij hem steevast noemde- viel hij wat meer op, maar de meeste stamgasten van de cafés die hij bezocht waren eerder terughoudend. Wanneer hij aan de toog zijn koffie bestelde, hoorde hij wel eens een opmerking of werd hij herkend door een toevallige passant die dan met hem op de foto wilde. Meestal echter ging hij in het decor op en achter het scherm van zijn laptop kon hij schrijven wat hij wilde.

Toen Ella werd opgenomen, zat hij vaak in de cafetaria van het ziekenhuis te schrijven. Eén van de als verpleegster geklede diensters meldde zich op de tweede dag van Ella’s verblijf aan zijn tafeltje. “U bent Benno Snijers”, zei ze heel matter-of-factly, “ik heb het gehoord van uw vrouw, ik wens haar veel beterschap”. Benno had bedankt. Ze had zich als één van zijn trouwste fans laten kennen. “Nog voor u bekend was, had ik al uw boeken gelezen”, zei ze trots.

De volgende dag had ze die één na één laten tekenen. Sommige zagen er gloednieuw en ongelezen uit, maar Benno tekende ze met dezelfde glimlach. In sommige schreef hij een opdracht. Meestal in het thema van het boek. In zijn laatste boek schreef hij: “Waarover moet mijn volgende boek gaan?”. Hij zette er het e-mailadres voor fanmail onder dat de uitgever voor hem had aangemaakt en waaruit hij maandelijks een selectie van de grappigste, aangrijpendste en idiootste opmerkingen kreeg doorgestuurd.

De ziekenhuisomgeving kon hem echter niet inspireren voor zijn nieuwe werk. De omgeving nodigde nochtans niet uit om over alledaagse besognes te gaan schrijven. Het trieste en het zwarte dat hij tussen de bezoeken aan Ella door op papier zette, schrapte hij telkens weer wanneer de hoop op haar herstel opflakkerde. “Het is geen tijd voor zwartdenken”, dacht hij bij zichzelf en tot zijn grote ontzetting begon hij weer over lampenkappen met bloemmotief en losliggende dorpels van cafés te schrijven. Ook dat materiaal schrapte hij. Dit keer wanneer de voorspellingen van doktoren opnieuw in de negatieve richting uitsloegen.

Steeds vaker hield hij zich bezig met niets schrijven. Steeds vaker zat hij uren aan een stuk te kijken naar het af- en aanrijden van ambulances en auto’s op de parking van het ziekenhuis. Op de duur liet hij zijn laptop gewoon thuis wanneer hij naar het ziekenhuis vertrok. Op die manier werd hij ook niet geconfronteerd met de nu haast eindeloos geworden eisen en smeekbedes van zijn uitgever om nieuw en uitgeefbaar materiaal.

Toen Ella stierf, zat hij achter een koud geworden koffie naar het koude inox van de ziekenhuiskeuken te staren. De dienster-verpleegster kwam naast hem staan. “Het spijt me”, zei ze. Ze legde even haar hand op zijn schouder en verdween.

Zijn uitgever had het een goede gelegenheid gevonden om de aandacht rond zijn persoon, die nu toch al enkele maanden aan het slabakken was gegaan, opnieuw op te krikken. Hij had enkele bladen gebeld met het nieuws over het tragische en onverwacht snelle overlijden van mevrouw Ella Snijers, vrouw van succesauteur Benno.
Benno ging er uiteindelijk mee akkoord om één enkel interview toe te staan. Een interview dat op dinsdag als exclusief werd aangekondigd in het weekblad dat daarvoor had betaald. En dat geheel of ten dele en al even exclusief werd overgenomen door de niet-betalende concurrentie.

Het was even een rel geweest tussen Benno en zijn uitgever. Die had hem op zijn contractuele verplichtingen gewezen en daarmee was voor hem de kous af geweest. In één adem had hij Benno gevraagd of hij nu nog wel schrijver wou zijn. Benno had bevestigend geantwoord. Dat was gisteren.

Vandaag zit hij met opgeladen laptop op de plaats waar hij zijn eerste verhaal heeft geschreven. Aan de kant van het water.

Club Intermezzo (werktitel)

Mijn derde verhaal in de Nanowrimocyclus die ik met Anne, Vicky en Gudrun schrijf, heeft als werktitel ‘Club Intermezzo’ meegekregen. Werktitel omdat het verhaal nog niet helemaal staat zoals het er staat.

Het is een huis met heel veel kamers geworden maar met veel verloren ruimte en een kast kan je er door de schuine muren niet makkelijk in kwijt. Een bouwwerk met meer lagen dan er eigenlijk in hadden gekund. Jammergenoeg is een deel van Nanowrimo ook loslaten en meer tijd dan dit heb ik momenteel niet te spenderen. Ik post het hier dus for what it’s worth.

Wat voorafging (of toch min of meer) leest u op everythingisastory.

Club Intermezzo

Het beloofde weer één van die avonden te worden. Na the usual suspects was een groep tieners en een groep meiden bij de club komen aanzetten. Eén van hen voorzien van oren en een staartje zoals een playboy bunny. Dirk De Vos, buitenwipper van Club Intermezzo, wist hoe laat het was.

Vanavond zouden in de Intermezzo cocktails worden gedronken en de combinatie met het goedje dat daarbinnen rondging, zou er vóór drie uur voor zorgen dat Dirk zijn GSM ter hand zou moeten nemen en 112 zou indrukken. Ook dat was een terugkerend fenomeen.

Sinds de club een jaar geleden in het stadsmagazine haar opwachting had gemaakt als hipste club van de stad, was het hier elke zaterdag aanschuiven. Het publiek van hippe twintigers en vroege dertigers vond elkaar hier. Maar het zou niet lang meer duren of de plaats zou zich verleggen.

Dirk was nu zes jaar buitenwipper en had plaatsen die avond aan avond volliepen even snel weer zien leeglopen om hetzelfde publiek bij zijn volgende werkgever opnieuw aan te treffen. Na de Local en de Bar Antique was de Au plage de Paris gekomen en daarna dus de Intermezzo. Steeds met nieuwe eigenaars, nieuwe kaarten, nieuwe verwachtingen.

Het was de natuurlijke circle of life van de hippe club: beginnend als bar met beperkt publiek, een overmaatse rookmachine om de te grote ruimte kunstmatig te vullen, een kaart met naast wijn en bier enkele cocktails. Daarna kwam er een betere DJ en samen met hem de pioniers die de weg zouden bereiden. Vervolgens begon de naam van de nieuwe plek door de stad te gonzen en vonden meer en meer mensen de weg naar binnen.

Samen met hen kwam Dirk. De voorhoede wil immers zo lang mogelijk voorhoede blijven en dus dient ongenode gasten de deur te worden gewezen, zo niet preventief, dan toch sanctionerend als er iets misloopt. Gasten die één keer werden buitengezet, moesten er bij Dirk niet op rekenen later nog binnen te komen. Tenzij ze natuurlijk bij de voorhoede hoorden of hun excuses aanboden middels een briefje van twintig of meer. Zo royaal was zijn gage nu ook weer niet dat hij niet gevoelig was voor een bijverdienste.

Eens de zee bevolkt is met vissen, komen ook de haaien en de aaseters. Het was Dirks taak de onverlaten buiten te houden, maar telkens weer was zijn net niet fijnmazig genoeg. Dan begon het binnen te gonzen en vonden steeds meer geruchten de weg van binnen naar buiten. Het was voor Dirk het teken om naar zijn contact op het gemeentehuis te bellen. Toevallig nieuwe clubs met voldoende capaciteit bij gekomen de laatste tijd?

Daarna zou hij langsgaan en zijn kaartje achterlaten. Nu hadden ze hem immers nog niet nodig maar later misschien, in de toekomst? Zo wedde hij op drie, vier, vijf paarden en telkens weer zou er één als eerste bellen.

Dark White zou de volgende place to be worden, dat voelde hij toen hij er de eerste keer op donderdag kwam. Die avond was de Intermezzo gesloten en Dirk maakte van de gelegenheid gebruik om er een kijkje te gaan nemen. De Voorhoede, die vooral bestond uit studenten die in het weekend hockey spelen, was er al.

Hij spotte Maurice, de ex-uitbater van de Local, achter de bar en vermoedde dat Dark White zijn nieuwe cash cow zou worden. Dirk gaf hem een hand, bestelde een J&B on the rocks en kreeg er een van de zaak. Dirk gaf Maurice zijn kaartje en knipoogde. “Ik geloof erin”, riep hij. De DJ haalde de beats uit de muziek en de drop werd als een bevrijding van boze geesten onthaald.

Dat de Intermezzo geen lang leven meer beschoren zou zijn, was hem intussen wel duidelijk. Eens de voorhoede een nieuwe plek heeft uitgekozen is het een kwestie van tijd. Tot zolang het duurde zou hij echter zijn plicht aan de deur van de Intermezzo vervullen. Al te opvallende figuren haalde hij eruit, avondlijke ruzies op alcohol en straffer spul werden door hem met diplomatie als het kon, met harde hand als het moest, bijgelegd.

Het was koud geworden, merkte Dirk op terwijl hij zijn zoveelste sigaret tussen de lippen duwde, zijn zippo aanstreek en met een diepe haal het vuur in de sigaret trok. Intussen verlieten de eerste mensen de Intermezzo. Het was nog maar twee uur. Een teken dat het bergaf ging. Niet zozeer omwille van het vertrekken maar omwille van de jeugdige leeftijd van de vertrekkers. Ook voor Dirk was het geen gunstige evolutie. Jonge mensen geven geen fooien, die drinken hun centen erdoor. Een ander teken waren de vaders die hun dochters op kwamen halen voor de deur. De tijd om een nieuwe plek te zoeken was echt wel aangebroken.

Dirk ging door het adresboek van zijn GSM alsof hij dan en daar iemand zou bellen. Het gaf hem gewoon het gevoel dat hij iets deed om zijn toekomst te verzekeren.

Dat had hij tien jaar geleden niet kunnen doen. Het was 1999 en na 25 jaar trouwe dienst in de autofabriek was Dirk aan de deur gezet. Hij was er in 1974 op zijn 16de begonnen. Van school had hij nooit een hoge pet op gehad, hij was muzikaal aangelegd maar daarvan zijn beroep maken had zijn moeder niet zien zitten. Of hij niet voldoende had aan zijn tuba in de fanfare? Zijn vader had zich er niet over uitgesproken. Niet omdat hij er geen mening over had, maar omdat zijn mening ook zonder vragen wel bekend was. Het was een stilzwijgend ‘Nuts’.

Van zijn eerste loon had hij zich een gitaar gekocht, van zijn tweede loon een tweedehands effectenpedaal, zijn derde loon had hij in een pickup en platen gestoken. Daarna moest hij een deel van zijn loon afstaan. “Voor kost en inwoon, anders vergooi je het aan die djingeldjangel van u”, had zijn vader gezegd, “uw broer, die houdt van de Beatles, maar dit is echt geen muziek meer.”

Dirks platencollectie breidde zich maand na maand uit met platen van Led Zepplin, Pink Floyd, The Who. Hoe psychedelischer de muziek, hoe meer hij er van hield. Eén plaat nam een bijzondere plaats voor hem in: Wish you were here van Pink Floyd. Zijn favoriete band. Hij kocht haar meteen na de uitgave in Nederland, daar fietste hij dan naartoe omdat de plaat daar enkele dagen vroeger in de rekken lag.

Dirk haalde de hoes met de brandende man uit de zwarte plastic omslag, haalde de plaat voorzichtig uit de hoes, legde haar op de pioneer platenspeler en zette de naald zorgvuldig in de wachtgroef. Het geluid van een orgel zwol aan en werd bijgetreden door een tweede. Vage natuurgeluiden vulden in. Een saxofoon blies enkele noten. Steeds hoger. Waterdruppels. Een gitaar. Nog steeds het orgel. Hoger nu. Verder weg. Bijna stilte. Drie noten van de vervormde gitaar. Weer drie. Nog drie. Drums. Basgitaar. Een nieuwe cyclus van opbouwen. Een gitaarsolo. Een schijnbaar eindeloze sfeerzettende intro. Dan pas een stem. Remember when you were young.

Dirk hoorde zingen over jeugd, over vrijheid, over de platenindustrie. Hij hoorde alluderen op drugs. Hij hoorde zingen over zijn grote idool Syd Barret die wegens overmatig LCD-gebruik uit de band was gezet en hoe hard de andere bandleden hem misten. Niet Syd als persoon maar Syd als gedachte vulde de plaat. Dirk wilde dat hij slachtoffer was geworden van zijn succes. Dat hij nu achterover zou leunen in de luxe fauteuil met een sigaar in de mond, glas whiskey binnen handbereik, trip onder de tong. Genietend van de mastertape van zijn eigen plaat.

Wat hij hoorde, was het uitsterven van een saxofoon en het aanzwellen van een pompend geluid. Een bel. Lawaai. Steeds sneller. Een zoemer. Een oscillerende toon. Een akoestische gitaar als contrast. Welcome my son, welcome to the machine.

Dirk vereenzelvigde zich met deze tekst. Misschien was het de rebellie van de jeugd, misschien was het de herkenbaarheid. Misschien was het de toepasbaarheid op zijn leven. De pickup bleef hangen in de eindeloze groef aan het einde van de plaat. Dirk bleef zitten en dacht na. Hij dacht over het werk. Het eindeloze werk aan de eindeloze band die eindeloze auto’s in elkaar zette.

Hij ontfermde zich in die dagen over de zetels. Later zou hij doorgroeien naar stuurstangen en nog later zou hij motoren monteren. Niet veel later zou hij in een spreadsheet aan de verkeerde kant van de kosten-batenlijn vallen. Hij kreeg zijn gouden horloge van 25 jaar dienst en wat men toen een gouden handdruk noemde. De handdruk die hij kreeg was er één van ijzer. Koud en zonder waarde. Zijn nieuwe chef, een ingenieur die net van school was afgegaan, zei dat het hem speet en dat er misschien…

Dirk had hem onderbroken. Hij wenste hem succes, keerde hem de rug toe en was buiten gestapt. Hij was wel eens eerder afwezig geweest. Ook toen was hij niet onmisbaar gebleken. Er was nooit één auto minder gemaakt. Hij had lange tijd geloofd dat hij een belangrijke schakel was. Die illusie was hij al langer kwijt. Wanneer er in de beginjaren iemand ziek werd, schakelden ze de band een fractie trager. Dan zette hij zowel de bestuurderszetel als de passagierszetel erin. Hij werkte zich een shift lang in het zweet en kreeg een premie. “Voor moed en zelfopoffering”, zei Daniël, zijn toenmalige chef, wanneer hij hem met een knipoog een enveloppe toestopte.

De laatste jaren kwamen er interimmers maar alleen wanneer iemand langer dan twee weken afwezig was. Daarna kwamen ze ook . Substitutiearbeiders hadden de vakbonden gezegd, geroepen ook, maar na een vergadering met de directie werd het beeld bijgesteld en heette het een perceptiefout te zijn om te denken dat de rechten van de arbeiders geschaad zouden worden. Ook Dirk werd vervangen door een wegwerparbeider. James was Ier en had zich ingeschreven in het interimkantoor. Dirk leidde hem tijdens zijn laatste week in dienst op tot installateur van kofferdeksels.

Na zijn laatste werkdag ging hij naar huis en las de kranten. Gitaar speelde hij al lang niet meer. Hij ging op café ook. Steeds meer eigenlijk. Zo had hij iets te doen. Zo verlegde hij ook zijn levenspatroon van de dag naar de nacht. In de autofabriek had hij steeds de vroege ploeg gedaan. Het was alsof hij in Australië ging leven zonder zich te verplaatsten.

Hij zag andere mensen, leerde de andere kant van zijn eigen wereld kennen. Hij leerde dronkaards kennen en cafébazen en haalde zijn brevet om buitenwipper te worden. Hij overwoog even in dienst te gaan bij een firma maar het idee dat hij zich opnieuw in een uniform zou moeten hijsen was hem te veel. Ook al was het dan een kostuum met das. Hij was 25 jaar een machineonderdeel geweest, het was tijd voor wat vrijheid.

Dat was het wat Dirk in de jeugd die hij ontmoette, bewonderde. Het streven naar individualiteit. Ook al wist hij dat de individualiteit dan een door marketing opgelegde consumptiestimulator was.

Tussen vier en vijf hield Dirk altijd even een rustpauze. Dan verving Paolo, een stevig gebouwde garçon hem voor een drink- en plaspauze. Paolo bracht hem een Red Bull, samen rookten ze een sigaret. “Even de sanitaire voorzieningen checken”, zei Dirk dan. Paolo rechtte de borst, liet zijn armen iets van zijn heupen loskomen en ademde diep in. Dan prikte Dirk met zijn vinger even in zijn buik. “Blijven trainen”, en weg was hij.

Wanneer Dirk het rookgordijn dat eens dansvloer heette bereikte, trof hem het pulserende geluid dat door de boxen kwam. De beat maakte geen schijn van kans, daarvoor schuurde en klaagde de middentoon te hard. De dansvloer vulde zich in snel tempo opnieuw alsof de DJ een lokmiddel in zijn rookmachine had gegoten.

Armen zwiepten in de lucht, Dirk voelde zichzelf stilstaan, luisterend naar klanken die zo vreemd en zo veraf waren maar toch zo herkenbaar. Hij hoorde de stem van zijn jeugd zingen:

What did you dream? It’s alright we told you what to dream. You dreamed of a big star, he played a mean guitar, he always ate in the Steak Bar. He loved to drive in his Jaguar. So welcome to the machine.

Hij zag de vrijgevochten jongeren waarvoor hij ze steeds had gehouden een lofzang zingen op uniformisering. Hij zag de usual suspects naar hem staan lachen. Ze riepen: “dansen, Dirk, dansen!”.

In een vlaag zag hij alle jongeren die White Saturday hadden bijgewoond. A party in White had de affiche gezegd. Zo was het ook gegaan, Dirk had de opdracht gekregen iedereen die niet minstens twee witte kledingstukken aanhad, niet binnen te laten. Ook toen had hij in zijn pauze tussen vier en vijf de jongeren bekeken. Zich verwonderd over hun uniformen. Hij had het er benauwd van gekregen.

Nu hoorde hij zijn muziek en zag hen erop dansen. Een surrealistisch beeld dat al snel tot een kaleidoscoop verwerd. De spots van de dansvloer. De beat. Die stem, steeds weer die stem. Drop that beat! Wit. Overal wit.

Paolo drukte 112 en hoorde de telefoon drie, vier, vijf keer overgaan. “Paolo, van Club Intermezzo, kan u een ambulance sturen? Geen drugs, dat denk ik niet. Het is onze portier.”

Inspiratie

Morgen moet ik mijn derde verhaal in de NaNoWriMo-cyclus afleveren. Deze middag begin ik eraan. Het wordt iets met het volgende nummer als centrale draad. Welcome to the machine. Van de Floyd natuurlijk.

Cinema Royal

Mijn tweede verhaal in de NaNoWriMo-serie. Het verhaal van wat de aankoop van een cinema om er lofts van te maken met zich mee kan brengen. 2145 woorden lang volgens de laatste tellingen. Net zoals het vorige verhaal, Dagmar heb ik eerder met de bovengrens van 2200 dan met de ondergrens van de 1666 woorden geworsteld.

Wat mijn volgende wordt, weet ik nog niet. Hopelijk zijn de reacties op deze even positief als op de vorige. Het is een leerrijke wandeling. Nu is het opnieuw aan Gudrun om 1666 woorden te produceren.

Kudos voor Anne en Veerle voor de verbeteringen.

Cinema Royal

Er waren dertien toeschouwers aanwezig op de avondvertoning. Dertien mensen waren de film Blow Up, de eerste Engelstalige film van Michelangelo Antonioni komen bekijken. Dertien mensen hadden gezien hoe een jonge fotograaf de grenzen verkent tussen droom en realiteit, tussen constructie en deconstructie. Dertien mensen hadden Londen gezien zoals ze het nog nooit hadden gezien. “But I thought you where in Paris? I am in Paris.” 1966. Een mooi jaar.

In die tijd runde Eliza, de moeder van Judy, de cinema nog met strakke hand. De cinema was al jaren de familiekroon en was één van de oudste van de stad. Met twee projectoren en een café had ze een goede naam. “De beste fims in de beste kwaliteit en comfort”, was in die tijden de leuze van de cinema. Er werden premières gehouden waarop beroemdheden en sterren uit de film zich mengden met het publiek.

Het was in die hoogdagen dat de concurrentie van de televisie begon toe te slaan. Ze waren er al langer en Eliza had voorspeld dat het eens de dood van de cinema zou betekenen. Maar in de eerste jaren waren televisies duur en de mensen wilden naast beeld ook nog wel eens een praatje met elkaar maken en dat was nu eenmaal makkelijker in het café van de cinema dan in het salon.

Die avond zou er nog een voorstelling plaatsvinden. Die voorstelling stond niet op de officiële programmatie maar de mannen die de vertoning zouden bijwonen, konden via mond-aan-mondreclame de weg steeds weer vinden. Al lag de opkomst sedert de intrede van internet ook weer een pak lager. Judy dimde alvast de lichten in de foyer. De schaduwen die de laatavondfilm zouden bezoeken gingen niet achteraf samen iets drinken. Dat had ze na de eerste vertoning enkele jaren terug al gemerkt. Veel licht ‘s avonds schrikt af. Zeker als er dingen gebeuren zoals er hier gebeurden.

Klanten kochten een kaartje, trokken de kragen van hun winterjas nog iets steviger dicht, de hoofddeksels gingen iets dieper. Judy herkende her en der een buurman of iemand die op andere momenten wel eens met vrouw en kinderen op bezoek kwam. Ze noemde hen mijnheer en wees hen de richting van de zaal alsof ze er nog nooit waren geweest. Van hen kreeg ze bij latere bezoekjes fooien aan de bar. “Voor de goede bediening”. Zij lachte poeslief terug. Knipoogde soms.

Vanavond waren er 10 klanten voor de laatavondfilm. Er zit sleet op de succesformule had Judy al enkele keren bedacht maar een alternatief had ze niet. Net voor ze de film zou starten die avond stopte een auto voor de deur. Een man stapte uit aan de passagierskant, draaide zich nog even om en zei iets tegen de chauffeur. Daarna keek de man Judy recht in het gezicht. Hij keek zelfverzekerd met blauwe, heldere ogen. Geen hoed. Geen overdreven warme jas voor de tijd van het jaar maar een zwart pak met moderne snit. Een wit hemd en een smalle, zwarte das. Judy schatte de man begin de 40. Zijn haar was strak in een zijstreep gekamd waardoor hij er zo ouderwets uitzag dat het wel modern en hip moest zijn.

Hij wandelde op de kassa af. Drie, vier grote passen en kwam tot stilstand. “Kan ik hier iets drinken?”, vroeg hij. “Zeker”, stamelde een verbouwereerde Judy, “ik moet dadelijk de film starten, als u hier even wacht, zorg ik zo voor licht. Wilt u zitten?”. De man knikte beslist van neen. Hij gooide zijn hoofd in de richting van de zaal. Als wou hij Judy aanporren om er vaart achter te zetten.

Judy sloot de kassa op dubbel en begaf zich naar de projectiekamer. Ze dimde het overgebleven licht in de zaal en startte de film.

Toen ze in het café terugkwam, was de man er nog steeds. Stiekem had ze gehoopt dat hij verdwenen zou zijn. Ze glimlachte en vroeg wat mijnheer te drinken wenste. “Een espresso”. Hij legde de nadruk hard op de s’en waardoor hij iets slangachtigs kreeg. “Neem zelf ook iets”. Judy klopte het oude koffiegruis uit het handvat,   klemde het in de koffiemaalmachine en drukte start. De geur van versgemalen koffie sprong haar in de neus. Ze sliep niet goed de laatste tijd en slurpte door de dag koffie om de vermoeidheid tegen te werken. Gedurende het grootste deel van het jaar stond ze er alleen voor en dat begon te wegen. Ze maalde een dubbele hoeveelheid en diende met de nodige flair de koffie op.

“Deze film staat niet op het programma?”. Het was nauwelijks een vraag. Judy schrok even maar herstelde zich. “Nee, inderdaad, een privévertoning”. Dat verhaal had ze bij elke laatavondvertoning weer aan zichzelf verteld. Als er controle zou komen of de politie of er zou een probleem zijn, dan zou ze vertellen dat het om een privévertoning ging en dat ze geen uitstaans had met wat zich in de zaal had afgespeeld. Ze hoorde zichzelf het hele verhaal doen. Van hoe er vorige week getelefoneerd werd, hoe ze bij het aanschouwen van het publiek vragen had gesteld, tot en met de huurprijs en het feit dat ze de centen goed kon gebruiken want dit gebouw… Hij legde haar het zwijgen op.

“Over dit gebouw wilde ik het even met u hebben, ik ben geïnteresseerd om het van u te kopen. U bent de eigenares, Judy van Neste?”. Judy knikte bevestigend. De voorbije maanden schoten door haar hoofd. Er was de man van de elektriciteit geweest, die opdracht had gekregen de aansluiting te voorzien met een budgetmeter. Er waren deurwaarders geweest voor achterstallen op de BTW. Telkens weer had ze de aanvallen van buitenaf kunnen afslaan. Deze man had indruk gemaakt met zijn verschijning. De manier waarop hij de dingen zei en vroeg. De manier waarop hij zich voortbewoog en nu dit. Dit niet. Nooit. Zij zou niet de derde generatie van Nestes zijn die het smalle koord zou verlaten. Even overwoog Judy de politie te bellen om de gekostumeerde te laten verwijderen. Toen hoorde ze ontegenzeggelijk de geluiden uit de zaal en besefte ze dat ze geen indruk zou maken.

“Wie bent u en wat doet u hier?”, de aanval scheen haar de beste verdediging. “Mijn naam is Philippe Vanhoutte”, ook hier legde hij de klemtonen met nadruk. Vanhoutte klonk als Vanoet en hij rok de pe van Philippe zo, dat je niet over de schrijfwijze zou kunnen twijfelen. “Ik vertegenwoordig Immo Deco dat zich inzet voor het verantwoord gebruik van historisch erfgoed”. Wij willen van deze zaal graag lofts maken. Dit is een buurt met toekomst…”. Nu was het Judy die de zin onderbrak. Zonder een woord te zeggen nam ze de koffie waarvan hij slechts even had genipt van het tafeltje en wees hem de deur. “Een beeld zegt meer dan 1000 woorden”, sprak Philippe, “mocht je je bedenken, hier is mijn kaartje”. Hij gooide het nonchalant, samen met een briefje van tien op het tafeltje. Hij graaide een mobiele telefoon uit zijn jaszak, groette haar met de glimlach en verdween. “Een dief in de nacht”, dacht Judy, terwijl ze het geld en het kaartje van tafel ruimde. Ze gooide het in de schuif van haar kassa en mepte die met een klap dicht.

Inmiddels was de laatavondfilm gestopt. De mannen kwamen één na één de zaal buiten. Jassen en sjaals opnieuw hoog, hoeden en petten laag. Het licht in de bar was Judy uit vergeten te doen waardoor sommigen even aarzelden maar dan toch hun weg richting de uitgang verderzetten. Judy begeleidde de laatste gast naar buiten, schoof het rolluik naar beneden en vertrok naar huis. De nacht was jong maar zou lang duren.

“Koffie”, dat was het eerste waar ze aan dacht wanneer ze het café van de cinema de volgende ochtend betrad. Dat zou haar overeind helpen na een slapeloze nacht. De auto, Philippe, het kaartje, de tien euro, het was allemaal door haar hoofd blijven spoken. Judy was even ingedommeld om daarna steeds weer opnieuw wakker te worden. Een waterboarding met slaap. Ze was fysiek en mentaal een wrak. Maar de koffie deed haar inderdaad goed. Terwijl ze de toog van het café schoonmaakte, slurpte ze een kan van het spul. Net genoeg koffie, dat was de kunst waar ze zich in de loop van de jaren in had gespecialiseerd. Drink je te weinig, dan voel je het effect niet, drink je er teveel dan ga je door een uur van high om daarna te ontdekken hoe diep je bent gevallen. Eens ze het effect voelde, dronk ze steeds nog één kop sterke koffie per uur. Die truc werkte nu toch al een poos naar behoren.

Ze klom de trappen achter de projectieruimte op. Het was schoolvakantie, dus had ze een extra voorstelling in de namiddag. ‘Pippi zet de boel op stelten’. Een film uit 1970. Er zouden weer jonge gezinnen opduiken. Ze had haar publiek uit de buurt weten te kiezen. Er kwamen er nooit veel, maar dat was een kwestie van tijd. Eens ze haar naam bij de nieuwe bewoners zou hebben gemaakt, zou de bioscoop opnieuw vol lopen. Als ze nu maar eens haar zaal half vol zou krijgen. Dan zou alles beter worden. “Geduld is een mooie deugd maar je moet er zo lang voor wachten”, dacht Judy terwijl ze de spoelen van het rek haalde en de trap richting projectieruimte afdaalde.

Het publiek van jonge gezinnen was er inderdaad, die middag. Ze kwamen nooit vroeg, dronken voor de voorstelling niets maar bleven nadien soms wel hangen. Judy zag een gezin met twee kinderen en een jonge moeder met een meisje dat niets anders kon zijn dan haar dochter. Ze had haar vriendinnetjes mee mogen brengen. “We vieren haar verjaardag”, zei de moeder en ze wees naar het meisje met de lange jas en de laarsjes. Een kind nog maar duidelijk een model naar haar moeder. “Met hoeveel zijn jullie Helena? Acht ticketjes alstublieft”.

Dat maakte 12, berekende Judy. Tot die auto opnieuw opdook. Judy dook in elkaar achter haar kassa. Hij parkeerde. Philippe zette zijn auto vlak voor de cinema. Hij had tien minuten rond gereden op zoek naar een parkeerplek maar als hij zijn auto dan toch kwijt wou geraken en een boete moest riskeren, zou hij nu ook niet nog eens tien minuten wandelen.

Judy zag een vrouw en een meisje uit de auto stappen. De twee hadden niet geweten wat hen overkwam toen Philippe de avond tevoren onverwacht laat thuis was gekomen met een brede glimlach op het gezicht. “Habemus Cinema!”, riep hij al toen de deur nog niet dicht was. Sedert de laatste pausverkiezing was het zijn woord geworden. Habemus Appartementam! Habemus Hotel! Habemus Iglesiam! Het potjeslatijn vloog door de woonkamer telkens de omhooggeklommen en zelfverklaarde working class hero een nieuwe en steeds indrukwekkender aankoop had gerealiseerd. In de laatste maanden was hij bijzonder succesvol, had zijn vrouw opgemerkt. “We gaan er morgen naartoe. We gaan naar de film Alicia! Morgen gaan papa en mama samen met jou naar de film”.

“Pippi zet de boel op stelten?”, Philippes vrouw aarzelde toen ze op de kassa afstapten, “Denk je dat dat wel goed is voor haar?” Het antwoord dat Philippe haar met de ogen gaf was duidelijk. “Drie kaartjes voor Pippi”. Philippes en Judy’s ogen kruisten elkaar. Vuur! Fire! Feu! Ignis! “U opnieuw. Ik had niet verwacht dat u een vrouw en kinderen had, u kent de weg”, sprak Judy onverwacht giftig. Ze keek daarbij nadrukkelijk naar Philippes vrouw.

Alicia had inmiddels de andere kinderen gevonden en in het café was het aantal geproduceerde decibels inmiddels tot ongekende hoogten gestegen. Philippe glimlachte schuchter naar zijn vrouw. Judy voelde een onbehaaglijke warmte uit haar buik opstijgen. Ergens wist ze dat het verkeerd was maar ze had niet écht iets verkeerd gezegd, vond ze.

Terwijl de film speelde zat Judy in de bar. Ze zette een koffie en haalde het kaartje van Philippe uit de kassa. Immo Deco. Philippe Vanhoutte. Projectmanager. Telefoonnummer. Mobiel. Fax. E-mailadres. Judy nam de telefoon en belde het vaste nummer. “Hoeveel bent u bereid voor mijn cinema te bieden?”, ze hoorde zichzelf de vraag stellen. Alsof haar mond en haar verstand niet in het minst met elkaar in contact stonden. “Philippe Vanhoutte” is gisteren langsgekomen. Ze legde in toen ze de tweede spoel van ‘Pippi zet de boel op stelten’ op de projector moest zetten en belde daarna opnieuw het nummer. “Philippe is hier niet langer in dienst mevrouw, daar zijn wij zeker van. Zegt u hem dat hij ons dringend moet bellen”. Intussen was Pippi’s avontuur als zwerver ten einde gekomen.

De kinderen kwamen, nog wilder dan ze al waren voor de film, de zaal uit. “Ik ga zwerver worden”, riep er eentje. “Blijf jij maar hier”, riep de moeder, “een chocolademelk voor jullie?”. Philppe zette zich aan een tafeltje. “Heeft u ook echte espresso”, opnieuw was zijn vraag geen vraag maar een regelrechte aanval, “doe toch maar twee cava en een cola”. Judy bracht de bestelling met haar breedste glimlach naar het tafeltje. “Ik had zopas uw werkgever aan de lijn”, sprak Judy ” u moest hem maar eens bellen”.

Het eerste

Zo, mijn eerste verhaal voor NaMoWriMo is af. Het is geen makkelijke bevalling geworden. We hadden een tiental dagen terug al samen gezeten om wat af te stemmen en mijn onderwerp was toen komen opborrelen. In tien dagen kan je best wat bij elkaar denken, zo blijkt.

Kortom: om binnen mijn limiet van 2200 woorden te blijven heb ik enkele scènes moeten schrappen, inkorten en wat herwerken. Ik geloof niet dat het verhaal helemaal zal blijven staan zoals het er nu staat maar de 2160 woorden voor mijn aandeel zijn binnen.

Het is mijn eerste fictieverhaal ooit. Uw commentaar is dus zeker welkom. Als je rechtsboven deze pagina je mailadres opgeeft, krijg je dit verhaal en de volgende ook per mail bezorgd. Of er is de RSS-feed natuurlijk.

Dagmar

Het is moeilijk te begrijpen, ik weet het. De plaats, de manier waarop ik hier nu zit. De manier waarop ik hier gekomen ben. De plaats die ik voor u inneem. Een ondergeschikte. Spreekwoordelijk geknield, en terecht, dat zal ik niet ontkennen, voor de arm van de wet. Voor een buitenstaander zoals u is het haast niet te bevatten. Ik ben onopvallend. Ik bezit een appartement, een goede muziekinstallatie waarop ik mijn platen van Bach kan spelen, een auto, een baan, collega’s. Wat gebeurd is, is gebeurd, zou ik kunnen zeggen, maar dat vertelde ik u al toen u mij hier binnenbracht. Ik kan het uitleggen. Niet alles maar toch ten dele.

Het begint, denk ik, allemaal bij de geboorte. In zekere zin begint bij ieder mens alles bij de geboorte, maar mijn geboorte was bijzonder. Misschien begon het bij mij zelfs eerder. Ik ben wat men noemt een ongelukje. Een ongeluk waar mijn moeder niet omheen kon, waardoor ze mij bij gebrek aan medeleven of inspiratie het leven schonk. Dat heb ik nooit voor iemand verborgen willen houden. Wie mijn moeder was of wie ze is, heb ik nooit geweten. Niet dat ik het, zoveel jaar later, nog te weten wil komen, maar ik vind dat u het moet weten. Mijn moeder heeft me na de geboorte nog even in de armen genomen, stel ik me voor, mij een kus gegeven, een kruisje op het voorhoofd misschien, zoals de nonnen dat in het opvanghuis deden. Misschien heeft ze mij de borst gegeven. Nog even getwijfeld. Enkele dagen later heeft ze zichzelf uit het ziekenhuis ontslagen. Ik sliep. Niemand hield haar tegen. Zij is verdwenen, ik ben gebleven.

Ik ben altijd gebleven. Hoewel ik geen enkele band met deze stad, dit land of dit werelddeel heb, ben ik nooit verhuisd. Niet met de mensen die er wonen, niet met de chaos die er heerst. Ooit was ik in Amerika, New York. Ik had er veel van verwacht. De stratenplannen in dambordpatroon deden rust en orde vermoeden. Maar stratenplannen tonen niet alles. Stratenplannen, hoe dambordvormig ook, tonen niet de scheeftrekkingen en de aberraties. Ze tonen niet het vuil dat zich zowel buiten als binnen afspeelt. Ik kwam terug en besloot nooit terug te gaan. Grootsteden hebben last van algemene amnesie. Achter de snelle veranderingen schuilt de angst voor het heden. Het verleden wordt in musea weggestopt, maar buiten laten enkel de betonboeren van zich horen. Elke straat wordt gebouwd, afgebroken en terug opgebouwd. Elke keer hoger, schijnbaar performanter. Daarmee wordt het geheugen van de stad, het geheugen van de mensen die er wonen, uitgewist. Een schijnbaar nieuw begin, belast met wat uit het verleden is overgebleven. Niemand weet nog waar hij is. Chaos. Elke herinnering een hallucinatie, weggestopt in weer een nieuw gebouw dat de slachtoffers of de kunstenaars of de geschiedenis moet bewaren.

Mijn ideale stad heeft een dambordpatroon. Alle huizen dateren uit één bouwjaar. Mijn ideaal ligt verscholen in de abstractie van cijfers en lijnen. De meetkunde is de grootste van de kunsten. Mondriaan en Schoonhoven. Schoonhoven mist kleur maar heeft meer regelmaat. Ik ben niet triest, moet u weten. Het leven heeft kleur nodig. Niet zoals nu. Vandaag wil iedereen kleur hebben, beroemd zijn, opvallen. Iedereen is zogenaamd belangrijk. Ik ben realist. Mij ziet niemand staan en dat geldt voor de meerderheid van de bevolking. Alleen op de plekken waar kleur hoort, mag kleur zijn. Al het andere leidt af. Honderd witte mensen, tien in kleur. Het kan niet zo moeilijk zijn om mensen in te delen volgens categorieën, hen te labelen met een kleur. Met rechte lijnen tussen hen. Zorgvuldig gekozen raakpunten en, slechts op enkele plekken, kleur. Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Ik heb geprobeerd orde in het leven te brengen. Als je de wereld wil veranderen, moet je bij jezelf beginnen. Orde brengt rust en rust brengt rijkdom van de geest. Wanneer ik ‘s morgens opsta, weet ik al hoe mijn dag eruit zal zien. Ontbijt, uit werken, thuiskomen, eten, wandelen, slapen. Ik werk in stukjes van 25 minuten aan één project. Daarna neem ik 5 minuten pauze en ga ik verder of neem ik iets anders ter hand. De telefoon leg ik ‘s morgens van de haak. De deur van mijn kantoor heeft een bordje: “Hier werkt men, niet storen”. Ik heb het er niet zelf gehangen. Een collega deed dat nadat ik hem ei zo na in de haren was gevlogen toen hij met één van zijn domme vragen kwam aanzetten.

Wat denkt u nu over mij? Dat ik straks een ongelukkige jeugd zal pleiten als het zover komt? Dat ik mijn verantwoordelijkheid in deze zaak zal proberen te ontlopen? Dat een psychiater mij straks ontoerekeningsvatbaar zal verklaren? U dwaalt. Geen mens zal mijn verhaal geloven. Als ik het zelf al geloof. Mijn leven is het scenario voor een B-film, waarvan de scènes kraken in hun voegen maar elkaar rechthouden zoals de oude huizen in onze stad. Wat ik heb geprobeerd, past vandaag nog niet, maar zal eens de regel zijn. Mijn experiment was tot mislukken gedoemd.

Achttien jaar ben ik onder de vleugels van de kerk gebleven. Eerst in het weeshuis bij de nonnen, daarna op het internaat bij de paters. Tot ik met een beurs aan de universiteit kon gaan studeren. Eén van de paters, onze leraar wiskunde, had dat geregeld. Hij liet me formulieren ondertekenen en nam de foto’s die ik later, vastgemaakt aan een officieel papier met handtekeningen en een stempel erop, kreeg teruggestuurd. “Jij hebt talent voor cijfers, mijn zoon”, vertelde hij mij toen ik samen met hem de les buitenkwam. We wandelden samen door de gang en discussieerden over de toepasbaarheid van kansberekening bij zeldzame gebeurtenissen. Hij legde zijn hand op mijn schouder en duwde er hard tegen, als wou hij mij daar ter plaatse een fysieke zet voor het leven geven.

Het hielp. Ik haalde een diploma. Een doctoraat. Ik vond een baan en ben ondanks besparingsrondes kunnen blijven zitten. Ook al krijg ik elk jaar weer tijdens het evaluatiegesprek bij mij directe chef te horen dat ik mij socialer op moet stellen. Dat ik open moet zijn tegenover collega’s, dat ik mijn collega’s niet moet buiten jagen als ze mij een vraag komen stellen wanneer ze vast zijn komen te zitten. Misschien dat ze mij na dit voorval ontslaan; ik zou hen begrijpen en niemand is onvervangbaar.

U wordt ongeduldig. Ik voel het. U heeft zichzelf niet meer helemaal onder controle. Daar schrik ik niet van. Het is weinigen gegeven om zich onder verschillende omstandigheden te kunnen bewegen. Volgens mij bent u ook een wit vlak, maar gelooft u zelf dat u blauw bent. Dat uw uniform afstraalt op uw persoonlijkheid. Ik kom er wel, maar u moet het verhaal helemaal horen, zodat u het neer kan schrijven in verslagen en aktes die later gewikkeld in bruin papier op het bureau van de rechter zullen belanden.

Samen met mijn baan vond ik een verblijf. Een veel te duur appartement in het centrum van onze stad in een behoorlijk drukke straat met bomen die nog maar net waren aangeplant. De huisbazin woont op het gelijkvloers, daarboven woon ik, een studente betrok toen de twee bovenste verdiepingen van het oude herenhuis. Intussen woont er een koppel. Mijn verblijf is eng en naargeestig. Uit mijn voorkamer kijk ik niet verder dan de huizen aan de overkant. Een oneindige leegte van vijftien meter. Met daarachter meer van dat. Het uitzicht achteraan is erger. Een aaneenschakeling van huizen met hun achterliggende koterijen. In de winter een uitgestorven woestenij. In de zomers worden door de jonge gezinnen, die de stad er koste wat het kost wil laten wonen, zogenaamde gardenparty’s georganiseerd. Over het interieur hoef ik u niet te vertellen, dat heeft u gezien toen u zo nodig die huiszoeking moest doen, die heel mijn appartement tot een varkensstal heeft gemaakt.

Ondanks de oneindige leegte die mij omringt, ben ik blijven dromen van mijn ideale vrouw. Op het werk hebben we computers waarmee we gezichten digitaal kunnen laten samenvloeien. Wist u dat de meeste mensen aan een gemiddeld gezicht de voorkeur geven? Nog maar eens een bewijs dat mijn theorieën steek houden. Gemiddeldes en medianen zijn de weg om te bewandelen. Het leven dwingt naar grenswaarden maar dat is schijn.

Ik herinner mij haar eerste stap in mijn leven. Ze kwam uit het niets opgedoken en verlichtte de hele straat. De zwarte lijn die ik er steeds had gevoeld, kleurde hel rood. Eerst voorzichtig. Daarna steeds nadrukkelijker. Ze was met haar ouders en haar broer in een huis getrokken iets verderop in de straat. Ze flaneerde door de straat, ze wandelde nooit. Hoewel ik een stuk ouder was dan haar, voelde ik dat het schilderij van mijn leven met één tik van haar hakken op het voetpad aan de overkant van de straat evenwicht had gevonden. Ik gaf haar een naam. Dagmar. Naar het hoofdpersonage uit het boek dat ik op dat moment aan het lezen was.

Een relatie met een vrouw heb ik nooit gehad. Ik val op lieve, zachte meisjes denk ik. Ik vind het moeilijk om toe te geven, maar ik heb het nooit gedaan met een vrouw en als mijn situatie is wat ze lijkt, dan ziet het ernaar uit dat dat ook niet voor de komende periode zal zijn. Op een dag belde ik het telefoonnummer dat ik vond in een regionale krant. Een jonge meisjesstem antwoordde. De eerste keer legde ik dicht. De volgende keer slaagde ik erin een gesprek te hebben. Ze vroeg mijn adres, ze zei dat ze langs zou komen. Dat ik niets hoefde te betalen als er niets gebeurde. Het was de enige keer dat ik het bed met een vrouw deelde die niet mijn moeder is.

Op weg naar de bushalte iets verderop in de straat passeerde Dagmar elke morgen aan mijn raam voorbij. Ze haalde de bus van vijf voor acht altijd maar net. Ze liep dan op die hakken van haar het huis uit, de straat over en met een sprongetje de bus op. Buschauffeurs die haar niet aan de halte zagen staan, stopten even, haalden hun zakdoeken boven of aarzelden bij het teruggeven. Wanneer ze aan kwam snellen, sloten ze ostentatief de deur om ze even later galant en met een knipoog opnieuw open te kunnen doen.

Waarom ik gedaan heb wat ik gedaan heb, zal u duidelijk worden. Ik hoop dat u in het kader van het gezegde meer begrijpt van wat ik heb willen zeggen met mijn daad. Het is een verkeerde manier van communiceren, maar u moet begrijpen dat ik geen andere weg meer zag, ik had alle pogingen ondernomen om haar te vertellen wat ik wilde maar ze heeft niet één keer naar mij geluisterd.

Ik vond de naam op de bel van haar huis. Kathleen. Dagmar heette Kathleen. Kathleen zou in de maanden daarna en tot nu steeds op die hakken door mijn leven slalommen. Elke stap hard benadrukkend met een tik tegen het wegdek. Ik probeerde om vijf voor acht naar mijn auto te stappen, ik wilde haar een lift aanbieden als ze de bus niet zou halen, maar steeds weer holde ze me voorbij. Ze lachte wanneer ze me passeerde. Ze lachte naar mij. Ik verstijfde en knikte beleefd terug.

Toen begon ik brieven te schrijven. Ik druk mij beter uit met geschreven woorden, moet u weten. Ik ondertekende met X. ’s Morgens, wanneer ze naar de bus rende, hield ze de brieven in haar hand. Ik zorgde ervoor dat ze niet wist wie ik was. Dat zou later komen. Ik zocht haar naam op het internet en zag hoe populair ze was. Mijn vlak werd witter, het hare steeds roder. De lijnen die ons scheidden, deinden uit.

Gisteren besloot ik dat ik het haar zou zeggen. Dat zij het was waar ik al die tijd naar uit heb gekeken. Toen ze na school van de bus stapte, hield ik haar tegen. Het getik in de straat hield op. Ik stamelde. Ik zei dat ik haar buurman was. Dat ik haar brieven had geschreven. Dat ze de vrouw van mijn dromen was. Weer lachte ze. Luid en hard deze keer. Ze was helemaal niet het zachte meisje dat ik me had voorgesteld. Ze liep me voorbij, draaide zich nog één keer om en riep “Freak” naar me. “Freak”. Ze duwde het hard en sissend tussen haar tanden.

Toen heb ik mijn auto genomen en ben door de stad gaan rijden. Telkens weer, op en neer tussen de haven en de stadsrand en weer terug. Deze middag zag ik haar aan de rand van het park. Ze was kwaad en riep op een jongen die ik eerder in de straat had gezien. Ze was helemaal niet Dagmar. Ze riep en maakte drukke gebaren. Ze creëerde chaos. De jongen was verward. Toen heb ik mijn gaspedaal ingedrukt.

Een tip van de sluier

Over de deelname aan NaNoWriMo schreef ik vorige week al. Het eerste stukje, geschreven door @Topanga ofte Anne is inmiddels verschenen op haar blog.

Mijn stukjes zullen een heel andere stijl hanteren en toch vertellen we aan hetzelfde verhaal. Om de spanning wat kunstmatig op te drijven alvast drie zinnen uit mijn stukje dat momenteel de werktitel “(Not) A momentary lapse of reason” heeft meegekregen.

Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Morgen dus de andere 2000 woorden.

Vind je deze blog leuk?

read my rss feedqrcode