Het zit zo, ik kijk graag naar een spelletje voetbal op niveau. Ik ben, net als bij wijn of bier, geen kenner maar Champions league, wk’s, toppers in de Spaanse, Engelse of Duitse competitie, Club Brugge tegen Standard of Anderlecht als het echt moet weet ik wel te pruimen. Kijken naar voetbal is iets wat je moet leren. Voetbal is moeilijk.
Momenteel kijk ik naar de WK-finale tussen Nederland en Spanje. Een potige match, veel gele kaarten. Na 90 minuten nog geen doelpunten, laat staan een winnaar. Op twitter speelt zich een ritueel af. Zij die kijken becommentarieerden, zij die niet kijken vragen zich af waar wij (ik hoorde bij de eerste categorie) ons mee bezighouden.
Zij die commentaar leveren willen over het algemeen doelpunten. Daarmee zou de match staan of vallen. Voor één van de twee partijen, voor het spelbeeld, voor de analyses achteraf. Wat een stelletje amateurs. Voetbal draait niet om doelpunten, dat heeft men ons door de jaren heen wijs proberen maken. Met samenvattingen en regels en ingrepen.
Dus zitten wij, stelletje amateurs, voor een keer een hele match af te kijken, valt er 120 minuten geen goal en zijn we teleurgesteld. Verwend als we zijn door ellenlange groepsfases die zich over meerdere maanden uitstrekken. Voetbal is een schaakspel met 22 pionnen, drie vervangingen en drie vreemde mannetjes (één scheidsrechter en twee trainers).
Cope with it.
Je kan me een pessimist noemen maar het wordt niets met wintersport in dit land. Je zal opmerken dat er Clijsters is en ook Henin en dat de wielrenners toch ook… Dat wij de zomer hebben. Parels. Zwijnen. Als het erop aankomt gaan België en sport tout court niet door dezelfde deur.
Sport wordt voor een groot stuk beleefd op en dankzij de televisie. Daar ging mijn thesis ooit over. Drie rijen dik langs de kant van de weg of een vol stadion is een druppel op de plaat van de kijkcijfers.
Sport in België is een kralenketting van evenementen. Tussen die evenementen is er de grote leegte. Sport is televisie geworden. The medium is the message. Alles Fata Morgana. Een decor uit bordkarton. De deelnemers zijn liefst gewoon en met beide voeten op de grond. Geen arrogantie of torenhoge ambities. De volgende dag wordt er opgeruimd. Het feest is voorbij.
Op dit moment lopen in Vancouver de Olympische Winterspelen. België is er met acht atleten vertegenwoordigd. Nee, we zijn geen natuurlijk wintersportland. Nee, bij ons geen natuurijs waar je van jongsaf het klappen van de schaats leert. Bij ons geen gletsjers waar je tot ver in de zomer de latten kan onderbinden. Het zit hem in de benadering.
De bobsleemeisjes, zo wordt mij verteld, zagen tot drie jaar geleden nog nooit een bob van dichtbij. Via een televisieprogramma werden ze opgespoord en nu zijn ze dus in Vancouver. Het zijn gewone mensen, vroeger waren het sporters. Reality killed the sports star. Elke supporter man bijt hond. Nu eindigen ze vijftiende. Binnen de top 16 was het opzet. Missie geslaagd. Als Belgische sportkijker vind ik dat vernederend.
Het zal de aard van het beestje zijn. Dat gewone. Dat bescheidene. Dat eeuwige underdoggevoel. Belgen genieten wanneer hij die het luidste roept het onderspit delft. Zien humor in het verlies van een gouden medaille. Had hij maar niet zo arrogant moeten wezen.
Onder de Galliërs zijn de Belgen de dappersten, want zij liggen het verst verwijderd van de verfijnde en beschaafde levenswijze der Provincie.