Een tijd geleden schreef ik hier nog dat ik geen fotograaf ben. Geen gerief. Geen kijk op de dingen. Dat geen fotograaf zijn, is nog steeds zo maar het is anders. Het gerief is er namelijk. En dat is maar een deel van het verhaal.
Wij hebben met de baby op komst een Sony Alpha 500 gekocht. Dat is de net-iets-meer-dan-het-instapmodel-versie van de Sony Alpha DSLR reeks. Daarbij twee lenzen, een 18-70 voor dagelijkse bezigheden en een 55-200 als er eens wat ingezoomd moet worden of de scherpte-diepte mag wat korter.
En o wonder, ik begon te fotograferen. Het voor handen zijnde onderwerp, bij de burgerlijke stand inmiddels bekend onder de naam Juul Seurinck, zal daar voor iets tussen zitten maar o wat heb ik al gefotografeerd en o wat heb ik het daarmee naar mijn zin.
Neen, ik gebruik nog niet alle functies van het toestel maar wat een genot heb ik al aan dat ding beleefd. Foto’s in den halve donkeren en zo scherp als een vers geslepen molenaarsmes. Flou en scherp waar ik dat wil, gezichten waar je je eens voor kan zetten.
Toeristenfuncties als ‘de lachstand’, een softwareding dat beslist wanneer je object lachend en dus fotograferenswaard is, die hoeven voor mij niet maar kijk, ze slijten die toestellen waarschijnlijk nog meer aan mensen die daar nog minder mee doen dan ondergetekende.
Ik wil leren want ik ben niet graag een instapper en dus fotografeer ik. Niet echt altijd bewust en vaak anekdotisch en echt niet buitenshuis maar dat komt.
Want zo’n toestel in huis laat je kijken. Net zoals ik vertelde over schrijven dat je je bewust moet zijn van de woorden in je omgeving, zo durf ik al eens over straat lopen en denken waar de mooie foto’s zitten. Waar de lelijke. Wat ik zou fotograferen als ik een echte fotograaf was.
Zo kwam het dat ik net zo iemand kruiste waar ik het in de blogpost over de fotograaf in mij vertelde. Zo iemand die in fotoboeken komt die ze bij Copyright in de Nationalestraat verkopen. Natuurlijk had ik alleen mijn Hero op zak.
Ik twijfelde. Ik voelde hoe mijn fiets remde en uiteindelijk stopte langs de kant van de weg. Ik hoorde mezelf vragen: “juffrouw, mag ik u fotograferen, uw tas viel mij op”. Het mocht. Zo werd ik, dankzij een toestel dat thuis lag ineens een beetje een fotograaf.

