Monopoly city streets

Al sedert de start van Monopoly City Streets, log ik me dagelijks aan bij het spel. Anders verdien ik immers niet de huur van die dag. Niet dat ik nog de illusie heb dat ik nog ga winnen, daarvoor moet je met je verstand spelen en niet met je hart.

Het begint inmiddels serieus te vervelen en ik heb zo het idee dat dat mij niet aanzet tot het kopen van het spel. Waar alles eigenlijk toch een beetje om te doen is.

Maar het blijft leuk om in de plaats van één appartement zowat je hele buurt in handen te hebben. De Cogels-Osylei is trouwens ook van mij. Niet te koop…

Het tribunaal

Yanina Wickmayer en Xavier Malisse zijn geschorst door het Vlaams dopingtribunaal voor het herhaaldelijk niet invullen van hun whereabouts. Eén jaar staan de Belgische wissel op de tennistoekomst en de eeuwige belofte aan de kant. Waarvoor?

Omdat ze hun papieren niet hebben ingevuld, eigenlijk, feitelijk. Meermaals niet hebben ingevuld eigenlijk. Omdat ze daarvoor al een verwittiging of drie voor hadden gekregen, eigenlijk. Aangetekende brieven.

Intussen is het kot te klein. Sportjournalisten schrijven scha en schande, zogenaamde kenners verdringen zich om de échte toedracht van de beslissing toe te lichten, advocaten zoeken druk naar fouten van het gerecht, de publieke opinie schreeuwt moord ende brand.

Diezelfde publieke opinie vond het goed dat Boonen niet werd geschorst wegens meermaals recreatief gebruik van cocaine. Vond het terecht dat Rasmussen uit de tour werd gezet omdat hij de boel had belazerd met zijn whereabouts.

Wickmayer en Malisse kregen de minimumstraf voor hun vergrijp(en). Omdat niet bewezen is dat ze bij de verkeerde apotheek zijn langsgegaan. Toch is het kot zwaar te klein. Omdat de verontwaardiging selectief is. Rasmussen is een engerd die obsessief met zijn gewicht bezig is, Wickmayer en Malisse zijn sympathiek en lach in de camera. Ze zijn Vlamingen. Zoals diezelfde publieke opinie. Dat treft.

De (minimum)straf die Wickmayer en Malisse opgelegd kregen is een afrekening met de laksheid waarmee sommige topsporters ingaan op hun administratieve verplichtingen. Omdat ze het gevoel hebben dat het podium waarop ze staan hen onaanraakbaar maakt voor aangetekende brieven. Omdat hun omgeving het wel goed vindt zo, met niet teveel druk van papierwerk. Omdat ze rekenen dat rechters een onderdeel vormen van de publiek opinie. Omdat ze gegokt hebben. En verloren. Deze keer.

Cinema Royal

Mijn tweede verhaal in de NaNoWriMo-serie. Het verhaal van wat de aankoop van een cinema om er lofts van te maken met zich mee kan brengen. 2145 woorden lang volgens de laatste tellingen. Net zoals het vorige verhaal, Dagmar heb ik eerder met de bovengrens van 2200 dan met de ondergrens van de 1666 woorden geworsteld.

Wat mijn volgende wordt, weet ik nog niet. Hopelijk zijn de reacties op deze even positief als op de vorige. Het is een leerrijke wandeling. Nu is het opnieuw aan Gudrun om 1666 woorden te produceren.

Kudos voor Anne en Veerle voor de verbeteringen.

Cinema Royal

Er waren dertien toeschouwers aanwezig op de avondvertoning. Dertien mensen waren de film Blow Up, de eerste Engelstalige film van Michelangelo Antonioni komen bekijken. Dertien mensen hadden gezien hoe een jonge fotograaf de grenzen verkent tussen droom en realiteit, tussen constructie en deconstructie. Dertien mensen hadden Londen gezien zoals ze het nog nooit hadden gezien. “But I thought you where in Paris? I am in Paris.” 1966. Een mooi jaar.

In die tijd runde Eliza, de moeder van Judy, de cinema nog met strakke hand. De cinema was al jaren de familiekroon en was één van de oudste van de stad. Met twee projectoren en een café had ze een goede naam. “De beste fims in de beste kwaliteit en comfort”, was in die tijden de leuze van de cinema. Er werden premières gehouden waarop beroemdheden en sterren uit de film zich mengden met het publiek.

Het was in die hoogdagen dat de concurrentie van de televisie begon toe te slaan. Ze waren er al langer en Eliza had voorspeld dat het eens de dood van de cinema zou betekenen. Maar in de eerste jaren waren televisies duur en de mensen wilden naast beeld ook nog wel eens een praatje met elkaar maken en dat was nu eenmaal makkelijker in het café van de cinema dan in het salon.

Die avond zou er nog een voorstelling plaatsvinden. Die voorstelling stond niet op de officiële programmatie maar de mannen die de vertoning zouden bijwonen, konden via mond-aan-mondreclame de weg steeds weer vinden. Al lag de opkomst sedert de intrede van internet ook weer een pak lager. Judy dimde alvast de lichten in de foyer. De schaduwen die de laatavondfilm zouden bezoeken gingen niet achteraf samen iets drinken. Dat had ze na de eerste vertoning enkele jaren terug al gemerkt. Veel licht ’s avonds schrikt af. Zeker als er dingen gebeuren zoals er hier gebeurden.

Klanten kochten een kaartje, trokken de kragen van hun winterjas nog iets steviger dicht, de hoofddeksels gingen iets dieper. Judy herkende her en der een buurman of iemand die op andere momenten wel eens met vrouw en kinderen op bezoek kwam. Ze noemde hen mijnheer en wees hen de richting van de zaal alsof ze er nog nooit waren geweest. Van hen kreeg ze bij latere bezoekjes fooien aan de bar. “Voor de goede bediening”. Zij lachte poeslief terug. Knipoogde soms.

Vanavond waren er 10 klanten voor de laatavondfilm. Er zit sleet op de succesformule had Judy al enkele keren bedacht maar een alternatief had ze niet. Net voor ze de film zou starten die avond stopte een auto voor de deur. Een man stapte uit aan de passagierskant, draaide zich nog even om en zei iets tegen de chauffeur. Daarna keek de man Judy recht in het gezicht. Hij keek zelfverzekerd met blauwe, heldere ogen. Geen hoed. Geen overdreven warme jas voor de tijd van het jaar maar een zwart pak met moderne snit. Een wit hemd en een smalle, zwarte das. Judy schatte de man begin de 40. Zijn haar was strak in een zijstreep gekamd waardoor hij er zo ouderwets uitzag dat het wel modern en hip moest zijn.

Hij wandelde op de kassa af. Drie, vier grote passen en kwam tot stilstand. “Kan ik hier iets drinken?”, vroeg hij. “Zeker”, stamelde een verbouwereerde Judy, “ik moet dadelijk de film starten, als u hier even wacht, zorg ik zo voor licht. Wilt u zitten?”. De man knikte beslist van neen. Hij gooide zijn hoofd in de richting van de zaal. Als wou hij Judy aanporren om er vaart achter te zetten.

Judy sloot de kassa op dubbel en begaf zich naar de projectiekamer. Ze dimde het overgebleven licht in de zaal en startte de film.

Toen ze in het café terugkwam, was de man er nog steeds. Stiekem had ze gehoopt dat hij verdwenen zou zijn. Ze glimlachte en vroeg wat mijnheer te drinken wenste. “Een espresso”. Hij legde de nadruk hard op de s’en waardoor hij iets slangachtigs kreeg. “Neem zelf ook iets”. Judy klopte het oude koffiegruis uit het handvat,   klemde het in de koffiemaalmachine en drukte start. De geur van versgemalen koffie sprong haar in de neus. Ze sliep niet goed de laatste tijd en slurpte door de dag koffie om de vermoeidheid tegen te werken. Gedurende het grootste deel van het jaar stond ze er alleen voor en dat begon te wegen. Ze maalde een dubbele hoeveelheid en diende met de nodige flair de koffie op.

“Deze film staat niet op het programma?”. Het was nauwelijks een vraag. Judy schrok even maar herstelde zich. “Nee, inderdaad, een privévertoning”. Dat verhaal had ze bij elke laatavondvertoning weer aan zichzelf verteld. Als er controle zou komen of de politie of er zou een probleem zijn, dan zou ze vertellen dat het om een privévertoning ging en dat ze geen uitstaans had met wat zich in de zaal had afgespeeld. Ze hoorde zichzelf het hele verhaal doen. Van hoe er vorige week getelefoneerd werd, hoe ze bij het aanschouwen van het publiek vragen had gesteld, tot en met de huurprijs en het feit dat ze de centen goed kon gebruiken want dit gebouw… Hij legde haar het zwijgen op.

“Over dit gebouw wilde ik het even met u hebben, ik ben geïnteresseerd om het van u te kopen. U bent de eigenares, Judy van Neste?”. Judy knikte bevestigend. De voorbije maanden schoten door haar hoofd. Er was de man van de elektriciteit geweest, die opdracht had gekregen de aansluiting te voorzien met een budgetmeter. Er waren deurwaarders geweest voor achterstallen op de BTW. Telkens weer had ze de aanvallen van buitenaf kunnen afslaan. Deze man had indruk gemaakt met zijn verschijning. De manier waarop hij de dingen zei en vroeg. De manier waarop hij zich voortbewoog en nu dit. Dit niet. Nooit. Zij zou niet de derde generatie van Nestes zijn die het smalle koord zou verlaten. Even overwoog Judy de politie te bellen om de gekostumeerde te laten verwijderen. Toen hoorde ze ontegenzeggelijk de geluiden uit de zaal en besefte ze dat ze geen indruk zou maken.

“Wie bent u en wat doet u hier?”, de aanval scheen haar de beste verdediging. “Mijn naam is Philippe Vanhoutte”, ook hier legde hij de klemtonen met nadruk. Vanhoutte klonk als Vanoet en hij rok de pe van Philippe zo, dat je niet over de schrijfwijze zou kunnen twijfelen. “Ik vertegenwoordig Immo Deco dat zich inzet voor het verantwoord gebruik van historisch erfgoed”. Wij willen van deze zaal graag lofts maken. Dit is een buurt met toekomst…”. Nu was het Judy die de zin onderbrak. Zonder een woord te zeggen nam ze de koffie waarvan hij slechts even had genipt van het tafeltje en wees hem de deur. “Een beeld zegt meer dan 1000 woorden”, sprak Philippe, “mocht je je bedenken, hier is mijn kaartje”. Hij gooide het nonchalant, samen met een briefje van tien op het tafeltje. Hij graaide een mobiele telefoon uit zijn jaszak, groette haar met de glimlach en verdween. “Een dief in de nacht”, dacht Judy, terwijl ze het geld en het kaartje van tafel ruimde. Ze gooide het in de schuif van haar kassa en mepte die met een klap dicht.

Inmiddels was de laatavondfilm gestopt. De mannen kwamen één na één de zaal buiten. Jassen en sjaals opnieuw hoog, hoeden en petten laag. Het licht in de bar was Judy uit vergeten te doen waardoor sommigen even aarzelden maar dan toch hun weg richting de uitgang verderzetten. Judy begeleidde de laatste gast naar buiten, schoof het rolluik naar beneden en vertrok naar huis. De nacht was jong maar zou lang duren.

“Koffie”, dat was het eerste waar ze aan dacht wanneer ze het café van de cinema de volgende ochtend betrad. Dat zou haar overeind helpen na een slapeloze nacht. De auto, Philippe, het kaartje, de tien euro, het was allemaal door haar hoofd blijven spoken. Judy was even ingedommeld om daarna steeds weer opnieuw wakker te worden. Een waterboarding met slaap. Ze was fysiek en mentaal een wrak. Maar de koffie deed haar inderdaad goed. Terwijl ze de toog van het café schoonmaakte, slurpte ze een kan van het spul. Net genoeg koffie, dat was de kunst waar ze zich in de loop van de jaren in had gespecialiseerd. Drink je te weinig, dan voel je het effect niet, drink je er teveel dan ga je door een uur van high om daarna te ontdekken hoe diep je bent gevallen. Eens ze het effect voelde, dronk ze steeds nog één kop sterke koffie per uur. Die truc werkte nu toch al een poos naar behoren.

Ze klom de trappen achter de projectieruimte op. Het was schoolvakantie, dus had ze een extra voorstelling in de namiddag. ‘Pippi zet de boel op stelten’. Een film uit 1970. Er zouden weer jonge gezinnen opduiken. Ze had haar publiek uit de buurt weten te kiezen. Er kwamen er nooit veel, maar dat was een kwestie van tijd. Eens ze haar naam bij de nieuwe bewoners zou hebben gemaakt, zou de bioscoop opnieuw vol lopen. Als ze nu maar eens haar zaal half vol zou krijgen. Dan zou alles beter worden. “Geduld is een mooie deugd maar je moet er zo lang voor wachten”, dacht Judy terwijl ze de spoelen van het rek haalde en de trap richting projectieruimte afdaalde.

Het publiek van jonge gezinnen was er inderdaad, die middag. Ze kwamen nooit vroeg, dronken voor de voorstelling niets maar bleven nadien soms wel hangen. Judy zag een gezin met twee kinderen en een jonge moeder met een meisje dat niets anders kon zijn dan haar dochter. Ze had haar vriendinnetjes mee mogen brengen. “We vieren haar verjaardag”, zei de moeder en ze wees naar het meisje met de lange jas en de laarsjes. Een kind nog maar duidelijk een model naar haar moeder. “Met hoeveel zijn jullie Helena? Acht ticketjes alstublieft”.

Dat maakte 12, berekende Judy. Tot die auto opnieuw opdook. Judy dook in elkaar achter haar kassa. Hij parkeerde. Philippe zette zijn auto vlak voor de cinema. Hij had tien minuten rond gereden op zoek naar een parkeerplek maar als hij zijn auto dan toch kwijt wou geraken en een boete moest riskeren, zou hij nu ook niet nog eens tien minuten wandelen.

Judy zag een vrouw en een meisje uit de auto stappen. De twee hadden niet geweten wat hen overkwam toen Philippe de avond tevoren onverwacht laat thuis was gekomen met een brede glimlach op het gezicht. “Habemus Cinema!”, riep hij al toen de deur nog niet dicht was. Sedert de laatste pausverkiezing was het zijn woord geworden. Habemus Appartementam! Habemus Hotel! Habemus Iglesiam! Het potjeslatijn vloog door de woonkamer telkens de omhooggeklommen en zelfverklaarde working class hero een nieuwe en steeds indrukwekkender aankoop had gerealiseerd. In de laatste maanden was hij bijzonder succesvol, had zijn vrouw opgemerkt. “We gaan er morgen naartoe. We gaan naar de film Alicia! Morgen gaan papa en mama samen met jou naar de film”.

“Pippi zet de boel op stelten?”, Philippes vrouw aarzelde toen ze op de kassa afstapten, “Denk je dat dat wel goed is voor haar?” Het antwoord dat Philippe haar met de ogen gaf was duidelijk. “Drie kaartjes voor Pippi”. Philippes en Judy’s ogen kruisten elkaar. Vuur! Fire! Feu! Ignis! “U opnieuw. Ik had niet verwacht dat u een vrouw en kinderen had, u kent de weg”, sprak Judy onverwacht giftig. Ze keek daarbij nadrukkelijk naar Philippes vrouw.

Alicia had inmiddels de andere kinderen gevonden en in het café was het aantal geproduceerde decibels inmiddels tot ongekende hoogten gestegen. Philippe glimlachte schuchter naar zijn vrouw. Judy voelde een onbehaaglijke warmte uit haar buik opstijgen. Ergens wist ze dat het verkeerd was maar ze had niet écht iets verkeerd gezegd, vond ze.

Terwijl de film speelde zat Judy in de bar. Ze zette een koffie en haalde het kaartje van Philippe uit de kassa. Immo Deco. Philippe Vanhoutte. Projectmanager. Telefoonnummer. Mobiel. Fax. E-mailadres. Judy nam de telefoon en belde het vaste nummer. “Hoeveel bent u bereid voor mijn cinema te bieden?”, ze hoorde zichzelf de vraag stellen. Alsof haar mond en haar verstand niet in het minst met elkaar in contact stonden. “Philippe Vanhoutte” is gisteren langsgekomen. Ze legde in toen ze de tweede spoel van ‘Pippi zet de boel op stelten’ op de projector moest zetten en belde daarna opnieuw het nummer. “Philippe is hier niet langer in dienst mevrouw, daar zijn wij zeker van. Zegt u hem dat hij ons dringend moet bellen”. Intussen was Pippi’s avontuur als zwerver ten einde gekomen.

De kinderen kwamen, nog wilder dan ze al waren voor de film, de zaal uit. “Ik ga zwerver worden”, riep er eentje. “Blijf jij maar hier”, riep de moeder, “een chocolademelk voor jullie?”. Philppe zette zich aan een tafeltje. “Heeft u ook echte espresso”, opnieuw was zijn vraag geen vraag maar een regelrechte aanval, “doe toch maar twee cava en een cola”. Judy bracht de bestelling met haar breedste glimlach naar het tafeltje. “Ik had zopas uw werkgever aan de lijn”, sprak Judy ” u moest hem maar eens bellen”.

Mond aan mond

Vreemd toch hoe “het woord” zich verspreidt. Ga ik ergens aan de slag, zit ik voor ik het weet teksten te produceren en aan computers te sleutelen. Ook al zegt mijn kaartje daar dan niets over. “Het woord” heeft zich inmiddels ook de straat in genesteld. Vandaag ADSL op draadloos gezet en een computerkuisbeurt in het verschiet. Een schrijvende marketing-communicatieadviserende computerhersteller. Zou daar een markt voor zijn?

Binnen of buiten

Het is november. En koud. Om dan in een tentje te gaan zitten, daarvoor moet ge goed zot zijn. Of een stageplaats willen veroveren bij Duval Guillaume. Voor een stageplaats? In deze kou? Met die regen? Inderdaad, zot zijn doet geen zeer maar het kan u een serieuze valling bezorgen.

Wel knap gevonden van die twee (tenzij de stageplaatsen al lang uitgedeeld zijn en de actie een promotiestunt voor DG is). Dan is het knap gevonden van Duval Guillaume. Ere wie ere toekomt. De avonturen van de twee kan je alvast volgen op http://www.wijblijvenbuiten.be

Wat zou je moeten doen om bij Duval Guillaume te mogen werken?

Grooveshark

Muziekliefhebbers, juicht!  Nu Last.fm op zijn laatste benen loopt, is hier (alweer) een mogelijke opvolger. Grooveshark is de naam en het moet gezegd: dit is echt een leuk speelgoedje. Bestaat al van 2007 maar is recent in een nieuw jasje gestoken. Met succes.

Zonet had ik bijvoorbeeld zin in het nummer Kashmir van Led Zepplin. Een klassieker waar ik mee groot ben geworden. Dat nummer voeg ik na een zoekopdracht met een muisklik toe aan mijn speellijst. Een klik op de radioknop geeft me suggesties voor een nieuw nummer (in mijn geval iets van The Who).

Een nieuwe zoekopdracht brengt mij potentieel bij 7.000.000 (and counting) nummers. Daar ben je toch al snel een jaar of 45 mee bezig. Zo lang zal de dienst niet bestaan, zo mag gevreesd worden. Gezien de verhoogde druk van auteursrechtenmaatschappijen. Maar tot het zo ver is. Music Maestro.

Ook proberen: http://grooveshark.com

Als je zelf muziek maakt is daar met een uploadfunctie ook aan gedacht.

Soggy Bottom Boys

Vanaf komende zaterdag kan je bij een Belgische kwaliteitskrant de films van de gebroeders Coen kopen. Dat zal ik niet gaan doen. Al dat verzamelen op den duur… Wel haal ik graag nog eens een filmpje van Youtube. Bovenstaande kerels zijn immers de helden in de Coen-film Oh Brother, Where Art Thou? uit het gezegende jaar 2000.

De film vertelt Odysseus’ omzwervingen maar dan in de VS ten tijde van de grote depressie. Inclusief cyclopen, sirenen en waarzeggers. Het is de grappigste film die ik ooit heb gezien en zij die dat nog nooit deden moeten nu de jas aan naar de videotheek. The Soggy Bottom Boys is overigens de enige niet-bestaande band die een nummer-één hit scoorde in de VS. Ik vind het filmpje al lachen.

Mijn favoriete quote uit de film: “Do not seek the treasure!”. Lachen. Het is gezond.

Mijn/onze andere blog

Bloggen, het klinkt nog altijd een beetje vreemd om het als hobby te hebben maar het moet gezegd, ik blog wat af dezer dagen. Niet alleen hier maar ook op de blog van onze buurt, Oud Borgerhout. We mengen hyperlokaal nieuws met historisch materiaal over het district. Een beetje erfgoed 2.0, zeg maar.

Leuk om doen en je leert nog eens wat bij over je buurt. Als je wat oudere mensen met fotocollecties in de buurt hebt wonen en je hebt ook nog wat tijd over: zeker een aanrader.

http://krugerpleinpeperbus.blogspot.com

Als je in Borgerhout woont, is dit zeker een must-read. Als je toevallig nog een fotoalbum uit je Borgerhoutse jeugd hebt liggen, laat van je horen, die foto waarop je met je eerste lief op de kermis te zien bent, halen we er wel uit.

Kudos voor initiatiefnemer Hans en medebloggers Simon, Leen, Elise en Erwin

Het eerste

Zo, mijn eerste verhaal voor NaMoWriMo is af. Het is geen makkelijke bevalling geworden. We hadden een tiental dagen terug al samen gezeten om wat af te stemmen en mijn onderwerp was toen komen opborrelen. In tien dagen kan je best wat bij elkaar denken, zo blijkt.

Kortom: om binnen mijn limiet van 2200 woorden te blijven heb ik enkele scènes moeten schrappen, inkorten en wat herwerken. Ik geloof niet dat het verhaal helemaal zal blijven staan zoals het er nu staat maar de 2160 woorden voor mijn aandeel zijn binnen.

Het is mijn eerste fictieverhaal ooit. Uw commentaar is dus zeker welkom. Als je rechtsboven deze pagina je mailadres opgeeft, krijg je dit verhaal en de volgende ook per mail bezorgd. Of er is de RSS-feed natuurlijk.

Dagmar

Het is moeilijk te begrijpen, ik weet het. De plaats, de manier waarop ik hier nu zit. De manier waarop ik hier gekomen ben. De plaats die ik voor u inneem. Een ondergeschikte. Spreekwoordelijk geknield, en terecht, dat zal ik niet ontkennen, voor de arm van de wet. Voor een buitenstaander zoals u is het haast niet te bevatten. Ik ben onopvallend. Ik bezit een appartement, een goede muziekinstallatie waarop ik mijn platen van Bach kan spelen, een auto, een baan, collega’s. Wat gebeurd is, is gebeurd, zou ik kunnen zeggen, maar dat vertelde ik u al toen u mij hier binnenbracht. Ik kan het uitleggen. Niet alles maar toch ten dele.

Het begint, denk ik, allemaal bij de geboorte. In zekere zin begint bij ieder mens alles bij de geboorte, maar mijn geboorte was bijzonder. Misschien begon het bij mij zelfs eerder. Ik ben wat men noemt een ongelukje. Een ongeluk waar mijn moeder niet omheen kon, waardoor ze mij bij gebrek aan medeleven of inspiratie het leven schonk. Dat heb ik nooit voor iemand verborgen willen houden. Wie mijn moeder was of wie ze is, heb ik nooit geweten. Niet dat ik het, zoveel jaar later, nog te weten wil komen, maar ik vind dat u het moet weten. Mijn moeder heeft me na de geboorte nog even in de armen genomen, stel ik me voor, mij een kus gegeven, een kruisje op het voorhoofd misschien, zoals de nonnen dat in het opvanghuis deden. Misschien heeft ze mij de borst gegeven. Nog even getwijfeld. Enkele dagen later heeft ze zichzelf uit het ziekenhuis ontslagen. Ik sliep. Niemand hield haar tegen. Zij is verdwenen, ik ben gebleven.

Ik ben altijd gebleven. Hoewel ik geen enkele band met deze stad, dit land of dit werelddeel heb, ben ik nooit verhuisd. Niet met de mensen die er wonen, niet met de chaos die er heerst. Ooit was ik in Amerika, New York. Ik had er veel van verwacht. De stratenplannen in dambordpatroon deden rust en orde vermoeden. Maar stratenplannen tonen niet alles. Stratenplannen, hoe dambordvormig ook, tonen niet de scheeftrekkingen en de aberraties. Ze tonen niet het vuil dat zich zowel buiten als binnen afspeelt. Ik kwam terug en besloot nooit terug te gaan. Grootsteden hebben last van algemene amnesie. Achter de snelle veranderingen schuilt de angst voor het heden. Het verleden wordt in musea weggestopt, maar buiten laten enkel de betonboeren van zich horen. Elke straat wordt gebouwd, afgebroken en terug opgebouwd. Elke keer hoger, schijnbaar performanter. Daarmee wordt het geheugen van de stad, het geheugen van de mensen die er wonen, uitgewist. Een schijnbaar nieuw begin, belast met wat uit het verleden is overgebleven. Niemand weet nog waar hij is. Chaos. Elke herinnering een hallucinatie, weggestopt in weer een nieuw gebouw dat de slachtoffers of de kunstenaars of de geschiedenis moet bewaren.

Mijn ideale stad heeft een dambordpatroon. Alle huizen dateren uit één bouwjaar. Mijn ideaal ligt verscholen in de abstractie van cijfers en lijnen. De meetkunde is de grootste van de kunsten. Mondriaan en Schoonhoven. Schoonhoven mist kleur maar heeft meer regelmaat. Ik ben niet triest, moet u weten. Het leven heeft kleur nodig. Niet zoals nu. Vandaag wil iedereen kleur hebben, beroemd zijn, opvallen. Iedereen is zogenaamd belangrijk. Ik ben realist. Mij ziet niemand staan en dat geldt voor de meerderheid van de bevolking. Alleen op de plekken waar kleur hoort, mag kleur zijn. Al het andere leidt af. Honderd witte mensen, tien in kleur. Het kan niet zo moeilijk zijn om mensen in te delen volgens categorieën, hen te labelen met een kleur. Met rechte lijnen tussen hen. Zorgvuldig gekozen raakpunten en, slechts op enkele plekken, kleur. Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Ik heb geprobeerd orde in het leven te brengen. Als je de wereld wil veranderen, moet je bij jezelf beginnen. Orde brengt rust en rust brengt rijkdom van de geest. Wanneer ik ‘s morgens opsta, weet ik al hoe mijn dag eruit zal zien. Ontbijt, uit werken, thuiskomen, eten, wandelen, slapen. Ik werk in stukjes van 25 minuten aan één project. Daarna neem ik 5 minuten pauze en ga ik verder of neem ik iets anders ter hand. De telefoon leg ik ‘s morgens van de haak. De deur van mijn kantoor heeft een bordje: “Hier werkt men, niet storen”. Ik heb het er niet zelf gehangen. Een collega deed dat nadat ik hem ei zo na in de haren was gevlogen toen hij met één van zijn domme vragen kwam aanzetten.

Wat denkt u nu over mij? Dat ik straks een ongelukkige jeugd zal pleiten als het zover komt? Dat ik mijn verantwoordelijkheid in deze zaak zal proberen te ontlopen? Dat een psychiater mij straks ontoerekeningsvatbaar zal verklaren? U dwaalt. Geen mens zal mijn verhaal geloven. Als ik het zelf al geloof. Mijn leven is het scenario voor een B-film, waarvan de scènes kraken in hun voegen maar elkaar rechthouden zoals de oude huizen in onze stad. Wat ik heb geprobeerd, past vandaag nog niet, maar zal eens de regel zijn. Mijn experiment was tot mislukken gedoemd.

Achttien jaar ben ik onder de vleugels van de kerk gebleven. Eerst in het weeshuis bij de nonnen, daarna op het internaat bij de paters. Tot ik met een beurs aan de universiteit kon gaan studeren. Eén van de paters, onze leraar wiskunde, had dat geregeld. Hij liet me formulieren ondertekenen en nam de foto’s die ik later, vastgemaakt aan een officieel papier met handtekeningen en een stempel erop, kreeg teruggestuurd. “Jij hebt talent voor cijfers, mijn zoon”, vertelde hij mij toen ik samen met hem de les buitenkwam. We wandelden samen door de gang en discussieerden over de toepasbaarheid van kansberekening bij zeldzame gebeurtenissen. Hij legde zijn hand op mijn schouder en duwde er hard tegen, als wou hij mij daar ter plaatse een fysieke zet voor het leven geven.

Het hielp. Ik haalde een diploma. Een doctoraat. Ik vond een baan en ben ondanks besparingsrondes kunnen blijven zitten. Ook al krijg ik elk jaar weer tijdens het evaluatiegesprek bij mij directe chef te horen dat ik mij socialer op moet stellen. Dat ik open moet zijn tegenover collega’s, dat ik mijn collega’s niet moet buiten jagen als ze mij een vraag komen stellen wanneer ze vast zijn komen te zitten. Misschien dat ze mij na dit voorval ontslaan; ik zou hen begrijpen en niemand is onvervangbaar.

U wordt ongeduldig. Ik voel het. U heeft zichzelf niet meer helemaal onder controle. Daar schrik ik niet van. Het is weinigen gegeven om zich onder verschillende omstandigheden te kunnen bewegen. Volgens mij bent u ook een wit vlak, maar gelooft u zelf dat u blauw bent. Dat uw uniform afstraalt op uw persoonlijkheid. Ik kom er wel, maar u moet het verhaal helemaal horen, zodat u het neer kan schrijven in verslagen en aktes die later gewikkeld in bruin papier op het bureau van de rechter zullen belanden.

Samen met mijn baan vond ik een verblijf. Een veel te duur appartement in het centrum van onze stad in een behoorlijk drukke straat met bomen die nog maar net waren aangeplant. De huisbazin woont op het gelijkvloers, daarboven woon ik, een studente betrok toen de twee bovenste verdiepingen van het oude herenhuis. Intussen woont er een koppel. Mijn verblijf is eng en naargeestig. Uit mijn voorkamer kijk ik niet verder dan de huizen aan de overkant. Een oneindige leegte van vijftien meter. Met daarachter meer van dat. Het uitzicht achteraan is erger. Een aaneenschakeling van huizen met hun achterliggende koterijen. In de winter een uitgestorven woestenij. In de zomers worden door de jonge gezinnen, die de stad er koste wat het kost wil laten wonen, zogenaamde gardenparty’s georganiseerd. Over het interieur hoef ik u niet te vertellen, dat heeft u gezien toen u zo nodig die huiszoeking moest doen, die heel mijn appartement tot een varkensstal heeft gemaakt.

Ondanks de oneindige leegte die mij omringt, ben ik blijven dromen van mijn ideale vrouw. Op het werk hebben we computers waarmee we gezichten digitaal kunnen laten samenvloeien. Wist u dat de meeste mensen aan een gemiddeld gezicht de voorkeur geven? Nog maar eens een bewijs dat mijn theorieën steek houden. Gemiddeldes en medianen zijn de weg om te bewandelen. Het leven dwingt naar grenswaarden maar dat is schijn.

Ik herinner mij haar eerste stap in mijn leven. Ze kwam uit het niets opgedoken en verlichtte de hele straat. De zwarte lijn die ik er steeds had gevoeld, kleurde hel rood. Eerst voorzichtig. Daarna steeds nadrukkelijker. Ze was met haar ouders en haar broer in een huis getrokken iets verderop in de straat. Ze flaneerde door de straat, ze wandelde nooit. Hoewel ik een stuk ouder was dan haar, voelde ik dat het schilderij van mijn leven met één tik van haar hakken op het voetpad aan de overkant van de straat evenwicht had gevonden. Ik gaf haar een naam. Dagmar. Naar het hoofdpersonage uit het boek dat ik op dat moment aan het lezen was.

Een relatie met een vrouw heb ik nooit gehad. Ik val op lieve, zachte meisjes denk ik. Ik vind het moeilijk om toe te geven, maar ik heb het nooit gedaan met een vrouw en als mijn situatie is wat ze lijkt, dan ziet het ernaar uit dat dat ook niet voor de komende periode zal zijn. Op een dag belde ik het telefoonnummer dat ik vond in een regionale krant. Een jonge meisjesstem antwoordde. De eerste keer legde ik dicht. De volgende keer slaagde ik erin een gesprek te hebben. Ze vroeg mijn adres, ze zei dat ze langs zou komen. Dat ik niets hoefde te betalen als er niets gebeurde. Het was de enige keer dat ik het bed met een vrouw deelde die niet mijn moeder is.

Op weg naar de bushalte iets verderop in de straat passeerde Dagmar elke morgen aan mijn raam voorbij. Ze haalde de bus van vijf voor acht altijd maar net. Ze liep dan op die hakken van haar het huis uit, de straat over en met een sprongetje de bus op. Buschauffeurs die haar niet aan de halte zagen staan, stopten even, haalden hun zakdoeken boven of aarzelden bij het teruggeven. Wanneer ze aan kwam snellen, sloten ze ostentatief de deur om ze even later galant en met een knipoog opnieuw open te kunnen doen.

Waarom ik gedaan heb wat ik gedaan heb, zal u duidelijk worden. Ik hoop dat u in het kader van het gezegde meer begrijpt van wat ik heb willen zeggen met mijn daad. Het is een verkeerde manier van communiceren, maar u moet begrijpen dat ik geen andere weg meer zag, ik had alle pogingen ondernomen om haar te vertellen wat ik wilde maar ze heeft niet één keer naar mij geluisterd.

Ik vond de naam op de bel van haar huis. Kathleen. Dagmar heette Kathleen. Kathleen zou in de maanden daarna en tot nu steeds op die hakken door mijn leven slalommen. Elke stap hard benadrukkend met een tik tegen het wegdek. Ik probeerde om vijf voor acht naar mijn auto te stappen, ik wilde haar een lift aanbieden als ze de bus niet zou halen, maar steeds weer holde ze me voorbij. Ze lachte wanneer ze me passeerde. Ze lachte naar mij. Ik verstijfde en knikte beleefd terug.

Toen begon ik brieven te schrijven. Ik druk mij beter uit met geschreven woorden, moet u weten. Ik ondertekende met X. ’s Morgens, wanneer ze naar de bus rende, hield ze de brieven in haar hand. Ik zorgde ervoor dat ze niet wist wie ik was. Dat zou later komen. Ik zocht haar naam op het internet en zag hoe populair ze was. Mijn vlak werd witter, het hare steeds roder. De lijnen die ons scheidden, deinden uit.

Gisteren besloot ik dat ik het haar zou zeggen. Dat zij het was waar ik al die tijd naar uit heb gekeken. Toen ze na school van de bus stapte, hield ik haar tegen. Het getik in de straat hield op. Ik stamelde. Ik zei dat ik haar buurman was. Dat ik haar brieven had geschreven. Dat ze de vrouw van mijn dromen was. Weer lachte ze. Luid en hard deze keer. Ze was helemaal niet het zachte meisje dat ik me had voorgesteld. Ze liep me voorbij, draaide zich nog één keer om en riep “Freak” naar me. “Freak”. Ze duwde het hard en sissend tussen haar tanden.

Toen heb ik mijn auto genomen en ben door de stad gaan rijden. Telkens weer, op en neer tussen de haven en de stadsrand en weer terug. Deze middag zag ik haar aan de rand van het park. Ze was kwaad en riep op een jongen die ik eerder in de straat had gezien. Ze was helemaal niet Dagmar. Ze riep en maakte drukke gebaren. Ze creëerde chaos. De jongen was verward. Toen heb ik mijn gaspedaal ingedrukt.

Een tip van de sluier

Over de deelname aan NaNoWriMo schreef ik vorige week al. Het eerste stukje, geschreven door @Topanga ofte Anne is inmiddels verschenen op haar blog.

Mijn stukjes zullen een heel andere stijl hanteren en toch vertellen we aan hetzelfde verhaal. Om de spanning wat kunstmatig op te drijven alvast drie zinnen uit mijn stukje dat momenteel de werktitel “(Not) A momentary lapse of reason” heeft meegekregen.

Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Morgen dus de andere 2000 woorden.

Schaatsen

De bladeren zijn nog volop aan het vallen, de dagen zijn al korter, de centrale verwarming is aangezet. De herfst is in het land en toont zijn eerste winterse trekjes. Het is een periode van kou, van regen en van wind maar ook van charme, pannenkoeken en warme chocolademelk en gezellig op de bank. Het televisieschaatsseizoen is opnieuw begonnen. Ik zoek de vind-ik-leuk-knop.