Categorieën
Uncategorized

Club Intermezzo (werktitel)

Mijn derde verhaal in de Nanowrimocyclus die ik met Anne, Vicky en Gudrun schrijf, heeft als werktitel ‘Club Intermezzo’ meegekregen. Werktitel omdat het verhaal nog niet helemaal staat zoals het er staat.

Het is een huis met heel veel kamers geworden maar met veel verloren ruimte en een kast kan je er door de schuine muren niet makkelijk in kwijt. Een bouwwerk met meer lagen dan er eigenlijk in hadden gekund. Jammergenoeg is een deel van Nanowrimo ook loslaten en meer tijd dan dit heb ik momenteel niet te spenderen. Ik post het hier dus for what it’s worth.

Wat voorafging (of toch min of meer) leest u op everythingisastory.

Club Intermezzo

Het beloofde weer één van die avonden te worden. Na the usual suspects was een groep tieners en een groep meiden bij de club komen aanzetten. Eén van hen voorzien van oren en een staartje zoals een playboy bunny. Dirk De Vos, buitenwipper van Club Intermezzo, wist hoe laat het was.

Vanavond zouden in de Intermezzo cocktails worden gedronken en de combinatie met het goedje dat daarbinnen rondging, zou er vóór drie uur voor zorgen dat Dirk zijn GSM ter hand zou moeten nemen en 112 zou indrukken. Ook dat was een terugkerend fenomeen.

Sinds de club een jaar geleden in het stadsmagazine haar opwachting had gemaakt als hipste club van de stad, was het hier elke zaterdag aanschuiven. Het publiek van hippe twintigers en vroege dertigers vond elkaar hier. Maar het zou niet lang meer duren of de plaats zou zich verleggen.

Dirk was nu zes jaar buitenwipper en had plaatsen die avond aan avond volliepen even snel weer zien leeglopen om hetzelfde publiek bij zijn volgende werkgever opnieuw aan te treffen. Na de Local en de Bar Antique was de Au plage de Paris gekomen en daarna dus de Intermezzo. Steeds met nieuwe eigenaars, nieuwe kaarten, nieuwe verwachtingen.

Het was de natuurlijke circle of life van de hippe club: beginnend als bar met beperkt publiek, een overmaatse rookmachine om de te grote ruimte kunstmatig te vullen, een kaart met naast wijn en bier enkele cocktails. Daarna kwam er een betere DJ en samen met hem de pioniers die de weg zouden bereiden. Vervolgens begon de naam van de nieuwe plek door de stad te gonzen en vonden meer en meer mensen de weg naar binnen.

Samen met hen kwam Dirk. De voorhoede wil immers zo lang mogelijk voorhoede blijven en dus dient ongenode gasten de deur te worden gewezen, zo niet preventief, dan toch sanctionerend als er iets misloopt. Gasten die één keer werden buitengezet, moesten er bij Dirk niet op rekenen later nog binnen te komen. Tenzij ze natuurlijk bij de voorhoede hoorden of hun excuses aanboden middels een briefje van twintig of meer. Zo royaal was zijn gage nu ook weer niet dat hij niet gevoelig was voor een bijverdienste.

Eens de zee bevolkt is met vissen, komen ook de haaien en de aaseters. Het was Dirks taak de onverlaten buiten te houden, maar telkens weer was zijn net niet fijnmazig genoeg. Dan begon het binnen te gonzen en vonden steeds meer geruchten de weg van binnen naar buiten. Het was voor Dirk het teken om naar zijn contact op het gemeentehuis te bellen. Toevallig nieuwe clubs met voldoende capaciteit bij gekomen de laatste tijd?

Daarna zou hij langsgaan en zijn kaartje achterlaten. Nu hadden ze hem immers nog niet nodig maar later misschien, in de toekomst? Zo wedde hij op drie, vier, vijf paarden en telkens weer zou er één als eerste bellen.

Dark White zou de volgende place to be worden, dat voelde hij toen hij er de eerste keer op donderdag kwam. Die avond was de Intermezzo gesloten en Dirk maakte van de gelegenheid gebruik om er een kijkje te gaan nemen. De Voorhoede, die vooral bestond uit studenten die in het weekend hockey spelen, was er al.

Hij spotte Maurice, de ex-uitbater van de Local, achter de bar en vermoedde dat Dark White zijn nieuwe cash cow zou worden. Dirk gaf hem een hand, bestelde een J&B on the rocks en kreeg er een van de zaak. Dirk gaf Maurice zijn kaartje en knipoogde. “Ik geloof erin”, riep hij. De DJ haalde de beats uit de muziek en de drop werd als een bevrijding van boze geesten onthaald.

Dat de Intermezzo geen lang leven meer beschoren zou zijn, was hem intussen wel duidelijk. Eens de voorhoede een nieuwe plek heeft uitgekozen is het een kwestie van tijd. Tot zolang het duurde zou hij echter zijn plicht aan de deur van de Intermezzo vervullen. Al te opvallende figuren haalde hij eruit, avondlijke ruzies op alcohol en straffer spul werden door hem met diplomatie als het kon, met harde hand als het moest, bijgelegd.

Het was koud geworden, merkte Dirk op terwijl hij zijn zoveelste sigaret tussen de lippen duwde, zijn zippo aanstreek en met een diepe haal het vuur in de sigaret trok. Intussen verlieten de eerste mensen de Intermezzo. Het was nog maar twee uur. Een teken dat het bergaf ging. Niet zozeer omwille van het vertrekken maar omwille van de jeugdige leeftijd van de vertrekkers. Ook voor Dirk was het geen gunstige evolutie. Jonge mensen geven geen fooien, die drinken hun centen erdoor. Een ander teken waren de vaders die hun dochters op kwamen halen voor de deur. De tijd om een nieuwe plek te zoeken was echt wel aangebroken.

Dirk ging door het adresboek van zijn GSM alsof hij dan en daar iemand zou bellen. Het gaf hem gewoon het gevoel dat hij iets deed om zijn toekomst te verzekeren.

Dat had hij tien jaar geleden niet kunnen doen. Het was 1999 en na 25 jaar trouwe dienst in de autofabriek was Dirk aan de deur gezet. Hij was er in 1974 op zijn 16de begonnen. Van school had hij nooit een hoge pet op gehad, hij was muzikaal aangelegd maar daarvan zijn beroep maken had zijn moeder niet zien zitten. Of hij niet voldoende had aan zijn tuba in de fanfare? Zijn vader had zich er niet over uitgesproken. Niet omdat hij er geen mening over had, maar omdat zijn mening ook zonder vragen wel bekend was. Het was een stilzwijgend ‘Nuts’.

Van zijn eerste loon had hij zich een gitaar gekocht, van zijn tweede loon een tweedehands effectenpedaal, zijn derde loon had hij in een pickup en platen gestoken. Daarna moest hij een deel van zijn loon afstaan. “Voor kost en inwoon, anders vergooi je het aan die djingeldjangel van u”, had zijn vader gezegd, “uw broer, die houdt van de Beatles, maar dit is echt geen muziek meer.”

Dirks platencollectie breidde zich maand na maand uit met platen van Led Zepplin, Pink Floyd, The Who. Hoe psychedelischer de muziek, hoe meer hij er van hield. Eén plaat nam een bijzondere plaats voor hem in: Wish you were here van Pink Floyd. Zijn favoriete band. Hij kocht haar meteen na de uitgave in Nederland, daar fietste hij dan naartoe omdat de plaat daar enkele dagen vroeger in de rekken lag.

Dirk haalde de hoes met de brandende man uit de zwarte plastic omslag, haalde de plaat voorzichtig uit de hoes, legde haar op de pioneer platenspeler en zette de naald zorgvuldig in de wachtgroef. Het geluid van een orgel zwol aan en werd bijgetreden door een tweede. Vage natuurgeluiden vulden in. Een saxofoon blies enkele noten. Steeds hoger. Waterdruppels. Een gitaar. Nog steeds het orgel. Hoger nu. Verder weg. Bijna stilte. Drie noten van de vervormde gitaar. Weer drie. Nog drie. Drums. Basgitaar. Een nieuwe cyclus van opbouwen. Een gitaarsolo. Een schijnbaar eindeloze sfeerzettende intro. Dan pas een stem. Remember when you were young.

Dirk hoorde zingen over jeugd, over vrijheid, over de platenindustrie. Hij hoorde alluderen op drugs. Hij hoorde zingen over zijn grote idool Syd Barret die wegens overmatig LCD-gebruik uit de band was gezet en hoe hard de andere bandleden hem misten. Niet Syd als persoon maar Syd als gedachte vulde de plaat. Dirk wilde dat hij slachtoffer was geworden van zijn succes. Dat hij nu achterover zou leunen in de luxe fauteuil met een sigaar in de mond, glas whiskey binnen handbereik, trip onder de tong. Genietend van de mastertape van zijn eigen plaat.

Wat hij hoorde, was het uitsterven van een saxofoon en het aanzwellen van een pompend geluid. Een bel. Lawaai. Steeds sneller. Een zoemer. Een oscillerende toon. Een akoestische gitaar als contrast. Welcome my son, welcome to the machine.

Dirk vereenzelvigde zich met deze tekst. Misschien was het de rebellie van de jeugd, misschien was het de herkenbaarheid. Misschien was het de toepasbaarheid op zijn leven. De pickup bleef hangen in de eindeloze groef aan het einde van de plaat. Dirk bleef zitten en dacht na. Hij dacht over het werk. Het eindeloze werk aan de eindeloze band die eindeloze auto’s in elkaar zette.

Hij ontfermde zich in die dagen over de zetels. Later zou hij doorgroeien naar stuurstangen en nog later zou hij motoren monteren. Niet veel later zou hij in een spreadsheet aan de verkeerde kant van de kosten-batenlijn vallen. Hij kreeg zijn gouden horloge van 25 jaar dienst en wat men toen een gouden handdruk noemde. De handdruk die hij kreeg was er één van ijzer. Koud en zonder waarde. Zijn nieuwe chef, een ingenieur die net van school was afgegaan, zei dat het hem speet en dat er misschien…

Dirk had hem onderbroken. Hij wenste hem succes, keerde hem de rug toe en was buiten gestapt. Hij was wel eens eerder afwezig geweest. Ook toen was hij niet onmisbaar gebleken. Er was nooit één auto minder gemaakt. Hij had lange tijd geloofd dat hij een belangrijke schakel was. Die illusie was hij al langer kwijt. Wanneer er in de beginjaren iemand ziek werd, schakelden ze de band een fractie trager. Dan zette hij zowel de bestuurderszetel als de passagierszetel erin. Hij werkte zich een shift lang in het zweet en kreeg een premie. “Voor moed en zelfopoffering”, zei Daniël, zijn toenmalige chef, wanneer hij hem met een knipoog een enveloppe toestopte.

De laatste jaren kwamen er interimmers maar alleen wanneer iemand langer dan twee weken afwezig was. Daarna kwamen ze ook . Substitutiearbeiders hadden de vakbonden gezegd, geroepen ook, maar na een vergadering met de directie werd het beeld bijgesteld en heette het een perceptiefout te zijn om te denken dat de rechten van de arbeiders geschaad zouden worden. Ook Dirk werd vervangen door een wegwerparbeider. James was Ier en had zich ingeschreven in het interimkantoor. Dirk leidde hem tijdens zijn laatste week in dienst op tot installateur van kofferdeksels.

Na zijn laatste werkdag ging hij naar huis en las de kranten. Gitaar speelde hij al lang niet meer. Hij ging op café ook. Steeds meer eigenlijk. Zo had hij iets te doen. Zo verlegde hij ook zijn levenspatroon van de dag naar de nacht. In de autofabriek had hij steeds de vroege ploeg gedaan. Het was alsof hij in Australië ging leven zonder zich te verplaatsten.

Hij zag andere mensen, leerde de andere kant van zijn eigen wereld kennen. Hij leerde dronkaards kennen en cafébazen en haalde zijn brevet om buitenwipper te worden. Hij overwoog even in dienst te gaan bij een firma maar het idee dat hij zich opnieuw in een uniform zou moeten hijsen was hem te veel. Ook al was het dan een kostuum met das. Hij was 25 jaar een machineonderdeel geweest, het was tijd voor wat vrijheid.

Dat was het wat Dirk in de jeugd die hij ontmoette, bewonderde. Het streven naar individualiteit. Ook al wist hij dat de individualiteit dan een door marketing opgelegde consumptiestimulator was.

Tussen vier en vijf hield Dirk altijd even een rustpauze. Dan verving Paolo, een stevig gebouwde garçon hem voor een drink- en plaspauze. Paolo bracht hem een Red Bull, samen rookten ze een sigaret. “Even de sanitaire voorzieningen checken”, zei Dirk dan. Paolo rechtte de borst, liet zijn armen iets van zijn heupen loskomen en ademde diep in. Dan prikte Dirk met zijn vinger even in zijn buik. “Blijven trainen”, en weg was hij.

Wanneer Dirk het rookgordijn dat eens dansvloer heette bereikte, trof hem het pulserende geluid dat door de boxen kwam. De beat maakte geen schijn van kans, daarvoor schuurde en klaagde de middentoon te hard. De dansvloer vulde zich in snel tempo opnieuw alsof de DJ een lokmiddel in zijn rookmachine had gegoten.

Armen zwiepten in de lucht, Dirk voelde zichzelf stilstaan, luisterend naar klanken die zo vreemd en zo veraf waren maar toch zo herkenbaar. Hij hoorde de stem van zijn jeugd zingen:

What did you dream? It’s alright we told you what to dream. You dreamed of a big star, he played a mean guitar, he always ate in the Steak Bar. He loved to drive in his Jaguar. So welcome to the machine.

Hij zag de vrijgevochten jongeren waarvoor hij ze steeds had gehouden een lofzang zingen op uniformisering. Hij zag de usual suspects naar hem staan lachen. Ze riepen: “dansen, Dirk, dansen!”.

In een vlaag zag hij alle jongeren die White Saturday hadden bijgewoond. A party in White had de affiche gezegd. Zo was het ook gegaan, Dirk had de opdracht gekregen iedereen die niet minstens twee witte kledingstukken aanhad, niet binnen te laten. Ook toen had hij in zijn pauze tussen vier en vijf de jongeren bekeken. Zich verwonderd over hun uniformen. Hij had het er benauwd van gekregen.

Nu hoorde hij zijn muziek en zag hen erop dansen. Een surrealistisch beeld dat al snel tot een kaleidoscoop verwerd. De spots van de dansvloer. De beat. Die stem, steeds weer die stem. Drop that beat! Wit. Overal wit.

Paolo drukte 112 en hoorde de telefoon drie, vier, vijf keer overgaan. “Paolo, van Club Intermezzo, kan u een ambulance sturen? Geen drugs, dat denk ik niet. Het is onze portier.”

Categorieën
Uncategorized

Inspiratie

Morgen moet ik mijn derde verhaal in de NaNoWriMo-cyclus afleveren. Deze middag begin ik eraan. Het wordt iets met het volgende nummer als centrale draad. Welcome to the machine. Van de Floyd natuurlijk.

Categorieën
Uncategorized

Marketeer van de maand: tandarts Vangheluwe

Sedert ik in Borgerhout woon, heb ik ook een Antwerpse tandarts, dat spreekt. Het is mijn schoonouderlijke tandarts geworden. Walter Vangheluwe, tandarts te Deurne, vlak om de hoek. Moest ik daar ook geen keuze meer in maken.

Het moet gezegd, die mens doet zijn werk goed (lees: mijn tanden zijn goed dus moet hij nooit enge dingen doen). Hij kent de marketingknepen van zijn vak daarenboven.

Bij een tandartsbezoek is het immers zo dat je, wanneer je een keer per jaar gaat, je minder remgeld moet betalen. Naast het feit dat dat beter is voor je tanden ook weer een argument pro jaarlijks tandartsbezoek.

Dus stuurt Walter Vangheluwe, tandarts te Deurne, sinds jaar en dag brieven naar zijn cliënteel om de aandacht te vestigen op het maken van een nieuwe afspraak. Zo niet dit jaar.

Krijg ik vandaag van die mens een geautomatiseerde SMS toegestuurd om mijn aandacht te vestigen op het feit dat mijn afspraak van vorig jaar bijna een jaar geleden is en of ik misschien niet eens wil bellen voor een nieuwe afspraak.

Geslaagde klantenbinding. Respect!

Categorieën
Uncategorized

Jobs vallen niet uit de lucht

Zaterdag vier voor drie. Het station van Gent. Mijn telefoon gaat over. Een man: “We kennen elkaar niet persoonlijk maar we hebben een gemeenschappelijke vriend, X, die heeft uw telefoonnummer doorgegeven”. Nu ken ik X inderdaad en is hij wel het type dat te vertrouwen is.

“Wij zoeken mensen voor ons bedrijf. Marketing en communicatie, dat is toch waar jij goed in bent, niet?”

“Ik doe mijn best maar er is wel meer wat ik kan.”

“Ideaal, kunnen wij elkaar eens zien”.

“Dat kan maar ik sta momenteel in het station van Gent, onderweg zonder agenda, stuur je mij anders een mailtje, dan krijg je vanavond of ten laatste morgen antwoord”.

In tijden van economische crisis vallen de jobs ineens uit de lucht. Via een gemeenschappelijke kennis. Netwerken. Daar komt het op neer in het leven. Als dit iets wordt, krijgt X van mij een fles champagne of zoiets.

Maar jobs vallen niet uit de lucht, ook niet via gemeenschappelijke kennis X. De man, van wie ik de naam overweeg te noemen, werkt voor Hamburg-Mannheimer, een verzekeringsmaatschappij met op zijn minst gezegd een niet zo frisse reputatie. Zo blijkt onder meer uit dit artikel in De Standaard over hun manier van werken, in dezelfde krant over hun aanwervingsbeleid en nog eentje in De Morgen over de handelspraktijken van de organisatie. En dan laten we de fora even buiten beschouwing.

Het is mijn stellige indruk dat bedrijven zoals deze de economische toestand aangrijpen om mensen vatbaarder te maken voor een job waar je zogenaamd slapend rijk mee wordt. Dat iemand op zoek is naar mensen met een hoger marketing en communicatieprofiel om een job in sales te doen is op zijn minst vreemd te noemen. X heeft mijn naam inderdaad doorgegeven, toen was de man nog een headhunter, althans dat beweerde hij.

Enfin, de zoektocht naar een geschikte job gaat nog even door. Mocht u op zoek zijn naar mij, de contactpagina is your place to go.

Categorieën
Uncategorized

Monopoly city streets

Al sedert de start van Monopoly City Streets, log ik me dagelijks aan bij het spel. Anders verdien ik immers niet de huur van die dag. Niet dat ik nog de illusie heb dat ik nog ga winnen, daarvoor moet je met je verstand spelen en niet met je hart.

Het begint inmiddels serieus te vervelen en ik heb zo het idee dat dat mij niet aanzet tot het kopen van het spel. Waar alles eigenlijk toch een beetje om te doen is.

Maar het blijft leuk om in de plaats van één appartement zowat je hele buurt in handen te hebben. De Cogels-Osylei is trouwens ook van mij. Niet te koop…

Categorieën
Uncategorized

Het tribunaal

Yanina Wickmayer en Xavier Malisse zijn geschorst door het Vlaams dopingtribunaal voor het herhaaldelijk niet invullen van hun whereabouts. Eén jaar staan de Belgische wissel op de tennistoekomst en de eeuwige belofte aan de kant. Waarvoor?

Omdat ze hun papieren niet hebben ingevuld, eigenlijk, feitelijk. Meermaals niet hebben ingevuld eigenlijk. Omdat ze daarvoor al een verwittiging of drie voor hadden gekregen, eigenlijk. Aangetekende brieven.

Intussen is het kot te klein. Sportjournalisten schrijven scha en schande, zogenaamde kenners verdringen zich om de échte toedracht van de beslissing toe te lichten, advocaten zoeken druk naar fouten van het gerecht, de publieke opinie schreeuwt moord ende brand.

Diezelfde publieke opinie vond het goed dat Boonen niet werd geschorst wegens meermaals recreatief gebruik van cocaine. Vond het terecht dat Rasmussen uit de tour werd gezet omdat hij de boel had belazerd met zijn whereabouts.

Wickmayer en Malisse kregen de minimumstraf voor hun vergrijp(en). Omdat niet bewezen is dat ze bij de verkeerde apotheek zijn langsgegaan. Toch is het kot zwaar te klein. Omdat de verontwaardiging selectief is. Rasmussen is een engerd die obsessief met zijn gewicht bezig is, Wickmayer en Malisse zijn sympathiek en lach in de camera. Ze zijn Vlamingen. Zoals diezelfde publieke opinie. Dat treft.

De (minimum)straf die Wickmayer en Malisse opgelegd kregen is een afrekening met de laksheid waarmee sommige topsporters ingaan op hun administratieve verplichtingen. Omdat ze het gevoel hebben dat het podium waarop ze staan hen onaanraakbaar maakt voor aangetekende brieven. Omdat hun omgeving het wel goed vindt zo, met niet teveel druk van papierwerk. Omdat ze rekenen dat rechters een onderdeel vormen van de publiek opinie. Omdat ze gegokt hebben. En verloren. Deze keer.

Categorieën
Uncategorized

Cinema Royal

Mijn tweede verhaal in de NaNoWriMo-serie. Het verhaal van wat de aankoop van een cinema om er lofts van te maken met zich mee kan brengen. 2145 woorden lang volgens de laatste tellingen. Net zoals het vorige verhaal, Dagmar heb ik eerder met de bovengrens van 2200 dan met de ondergrens van de 1666 woorden geworsteld.

Wat mijn volgende wordt, weet ik nog niet. Hopelijk zijn de reacties op deze even positief als op de vorige. Het is een leerrijke wandeling. Nu is het opnieuw aan Gudrun om 1666 woorden te produceren.

Kudos voor Anne en Veerle voor de verbeteringen.

Cinema Royal

Er waren dertien toeschouwers aanwezig op de avondvertoning. Dertien mensen waren de film Blow Up, de eerste Engelstalige film van Michelangelo Antonioni komen bekijken. Dertien mensen hadden gezien hoe een jonge fotograaf de grenzen verkent tussen droom en realiteit, tussen constructie en deconstructie. Dertien mensen hadden Londen gezien zoals ze het nog nooit hadden gezien. “But I thought you where in Paris? I am in Paris.” 1966. Een mooi jaar.

In die tijd runde Eliza, de moeder van Judy, de cinema nog met strakke hand. De cinema was al jaren de familiekroon en was één van de oudste van de stad. Met twee projectoren en een café had ze een goede naam. “De beste fims in de beste kwaliteit en comfort”, was in die tijden de leuze van de cinema. Er werden premières gehouden waarop beroemdheden en sterren uit de film zich mengden met het publiek.

Het was in die hoogdagen dat de concurrentie van de televisie begon toe te slaan. Ze waren er al langer en Eliza had voorspeld dat het eens de dood van de cinema zou betekenen. Maar in de eerste jaren waren televisies duur en de mensen wilden naast beeld ook nog wel eens een praatje met elkaar maken en dat was nu eenmaal makkelijker in het café van de cinema dan in het salon.

Die avond zou er nog een voorstelling plaatsvinden. Die voorstelling stond niet op de officiële programmatie maar de mannen die de vertoning zouden bijwonen, konden via mond-aan-mondreclame de weg steeds weer vinden. Al lag de opkomst sedert de intrede van internet ook weer een pak lager. Judy dimde alvast de lichten in de foyer. De schaduwen die de laatavondfilm zouden bezoeken gingen niet achteraf samen iets drinken. Dat had ze na de eerste vertoning enkele jaren terug al gemerkt. Veel licht ’s avonds schrikt af. Zeker als er dingen gebeuren zoals er hier gebeurden.

Klanten kochten een kaartje, trokken de kragen van hun winterjas nog iets steviger dicht, de hoofddeksels gingen iets dieper. Judy herkende her en der een buurman of iemand die op andere momenten wel eens met vrouw en kinderen op bezoek kwam. Ze noemde hen mijnheer en wees hen de richting van de zaal alsof ze er nog nooit waren geweest. Van hen kreeg ze bij latere bezoekjes fooien aan de bar. “Voor de goede bediening”. Zij lachte poeslief terug. Knipoogde soms.

Vanavond waren er 10 klanten voor de laatavondfilm. Er zit sleet op de succesformule had Judy al enkele keren bedacht maar een alternatief had ze niet. Net voor ze de film zou starten die avond stopte een auto voor de deur. Een man stapte uit aan de passagierskant, draaide zich nog even om en zei iets tegen de chauffeur. Daarna keek de man Judy recht in het gezicht. Hij keek zelfverzekerd met blauwe, heldere ogen. Geen hoed. Geen overdreven warme jas voor de tijd van het jaar maar een zwart pak met moderne snit. Een wit hemd en een smalle, zwarte das. Judy schatte de man begin de 40. Zijn haar was strak in een zijstreep gekamd waardoor hij er zo ouderwets uitzag dat het wel modern en hip moest zijn.

Hij wandelde op de kassa af. Drie, vier grote passen en kwam tot stilstand. “Kan ik hier iets drinken?”, vroeg hij. “Zeker”, stamelde een verbouwereerde Judy, “ik moet dadelijk de film starten, als u hier even wacht, zorg ik zo voor licht. Wilt u zitten?”. De man knikte beslist van neen. Hij gooide zijn hoofd in de richting van de zaal. Als wou hij Judy aanporren om er vaart achter te zetten.

Judy sloot de kassa op dubbel en begaf zich naar de projectiekamer. Ze dimde het overgebleven licht in de zaal en startte de film.

Toen ze in het café terugkwam, was de man er nog steeds. Stiekem had ze gehoopt dat hij verdwenen zou zijn. Ze glimlachte en vroeg wat mijnheer te drinken wenste. “Een espresso”. Hij legde de nadruk hard op de s’en waardoor hij iets slangachtigs kreeg. “Neem zelf ook iets”. Judy klopte het oude koffiegruis uit het handvat,   klemde het in de koffiemaalmachine en drukte start. De geur van versgemalen koffie sprong haar in de neus. Ze sliep niet goed de laatste tijd en slurpte door de dag koffie om de vermoeidheid tegen te werken. Gedurende het grootste deel van het jaar stond ze er alleen voor en dat begon te wegen. Ze maalde een dubbele hoeveelheid en diende met de nodige flair de koffie op.

“Deze film staat niet op het programma?”. Het was nauwelijks een vraag. Judy schrok even maar herstelde zich. “Nee, inderdaad, een privévertoning”. Dat verhaal had ze bij elke laatavondvertoning weer aan zichzelf verteld. Als er controle zou komen of de politie of er zou een probleem zijn, dan zou ze vertellen dat het om een privévertoning ging en dat ze geen uitstaans had met wat zich in de zaal had afgespeeld. Ze hoorde zichzelf het hele verhaal doen. Van hoe er vorige week getelefoneerd werd, hoe ze bij het aanschouwen van het publiek vragen had gesteld, tot en met de huurprijs en het feit dat ze de centen goed kon gebruiken want dit gebouw… Hij legde haar het zwijgen op.

“Over dit gebouw wilde ik het even met u hebben, ik ben geïnteresseerd om het van u te kopen. U bent de eigenares, Judy van Neste?”. Judy knikte bevestigend. De voorbije maanden schoten door haar hoofd. Er was de man van de elektriciteit geweest, die opdracht had gekregen de aansluiting te voorzien met een budgetmeter. Er waren deurwaarders geweest voor achterstallen op de BTW. Telkens weer had ze de aanvallen van buitenaf kunnen afslaan. Deze man had indruk gemaakt met zijn verschijning. De manier waarop hij de dingen zei en vroeg. De manier waarop hij zich voortbewoog en nu dit. Dit niet. Nooit. Zij zou niet de derde generatie van Nestes zijn die het smalle koord zou verlaten. Even overwoog Judy de politie te bellen om de gekostumeerde te laten verwijderen. Toen hoorde ze ontegenzeggelijk de geluiden uit de zaal en besefte ze dat ze geen indruk zou maken.

“Wie bent u en wat doet u hier?”, de aanval scheen haar de beste verdediging. “Mijn naam is Philippe Vanhoutte”, ook hier legde hij de klemtonen met nadruk. Vanhoutte klonk als Vanoet en hij rok de pe van Philippe zo, dat je niet over de schrijfwijze zou kunnen twijfelen. “Ik vertegenwoordig Immo Deco dat zich inzet voor het verantwoord gebruik van historisch erfgoed”. Wij willen van deze zaal graag lofts maken. Dit is een buurt met toekomst…”. Nu was het Judy die de zin onderbrak. Zonder een woord te zeggen nam ze de koffie waarvan hij slechts even had genipt van het tafeltje en wees hem de deur. “Een beeld zegt meer dan 1000 woorden”, sprak Philippe, “mocht je je bedenken, hier is mijn kaartje”. Hij gooide het nonchalant, samen met een briefje van tien op het tafeltje. Hij graaide een mobiele telefoon uit zijn jaszak, groette haar met de glimlach en verdween. “Een dief in de nacht”, dacht Judy, terwijl ze het geld en het kaartje van tafel ruimde. Ze gooide het in de schuif van haar kassa en mepte die met een klap dicht.

Inmiddels was de laatavondfilm gestopt. De mannen kwamen één na één de zaal buiten. Jassen en sjaals opnieuw hoog, hoeden en petten laag. Het licht in de bar was Judy uit vergeten te doen waardoor sommigen even aarzelden maar dan toch hun weg richting de uitgang verderzetten. Judy begeleidde de laatste gast naar buiten, schoof het rolluik naar beneden en vertrok naar huis. De nacht was jong maar zou lang duren.

“Koffie”, dat was het eerste waar ze aan dacht wanneer ze het café van de cinema de volgende ochtend betrad. Dat zou haar overeind helpen na een slapeloze nacht. De auto, Philippe, het kaartje, de tien euro, het was allemaal door haar hoofd blijven spoken. Judy was even ingedommeld om daarna steeds weer opnieuw wakker te worden. Een waterboarding met slaap. Ze was fysiek en mentaal een wrak. Maar de koffie deed haar inderdaad goed. Terwijl ze de toog van het café schoonmaakte, slurpte ze een kan van het spul. Net genoeg koffie, dat was de kunst waar ze zich in de loop van de jaren in had gespecialiseerd. Drink je te weinig, dan voel je het effect niet, drink je er teveel dan ga je door een uur van high om daarna te ontdekken hoe diep je bent gevallen. Eens ze het effect voelde, dronk ze steeds nog één kop sterke koffie per uur. Die truc werkte nu toch al een poos naar behoren.

Ze klom de trappen achter de projectieruimte op. Het was schoolvakantie, dus had ze een extra voorstelling in de namiddag. ‘Pippi zet de boel op stelten’. Een film uit 1970. Er zouden weer jonge gezinnen opduiken. Ze had haar publiek uit de buurt weten te kiezen. Er kwamen er nooit veel, maar dat was een kwestie van tijd. Eens ze haar naam bij de nieuwe bewoners zou hebben gemaakt, zou de bioscoop opnieuw vol lopen. Als ze nu maar eens haar zaal half vol zou krijgen. Dan zou alles beter worden. “Geduld is een mooie deugd maar je moet er zo lang voor wachten”, dacht Judy terwijl ze de spoelen van het rek haalde en de trap richting projectieruimte afdaalde.

Het publiek van jonge gezinnen was er inderdaad, die middag. Ze kwamen nooit vroeg, dronken voor de voorstelling niets maar bleven nadien soms wel hangen. Judy zag een gezin met twee kinderen en een jonge moeder met een meisje dat niets anders kon zijn dan haar dochter. Ze had haar vriendinnetjes mee mogen brengen. “We vieren haar verjaardag”, zei de moeder en ze wees naar het meisje met de lange jas en de laarsjes. Een kind nog maar duidelijk een model naar haar moeder. “Met hoeveel zijn jullie Helena? Acht ticketjes alstublieft”.

Dat maakte 12, berekende Judy. Tot die auto opnieuw opdook. Judy dook in elkaar achter haar kassa. Hij parkeerde. Philippe zette zijn auto vlak voor de cinema. Hij had tien minuten rond gereden op zoek naar een parkeerplek maar als hij zijn auto dan toch kwijt wou geraken en een boete moest riskeren, zou hij nu ook niet nog eens tien minuten wandelen.

Judy zag een vrouw en een meisje uit de auto stappen. De twee hadden niet geweten wat hen overkwam toen Philippe de avond tevoren onverwacht laat thuis was gekomen met een brede glimlach op het gezicht. “Habemus Cinema!”, riep hij al toen de deur nog niet dicht was. Sedert de laatste pausverkiezing was het zijn woord geworden. Habemus Appartementam! Habemus Hotel! Habemus Iglesiam! Het potjeslatijn vloog door de woonkamer telkens de omhooggeklommen en zelfverklaarde working class hero een nieuwe en steeds indrukwekkender aankoop had gerealiseerd. In de laatste maanden was hij bijzonder succesvol, had zijn vrouw opgemerkt. “We gaan er morgen naartoe. We gaan naar de film Alicia! Morgen gaan papa en mama samen met jou naar de film”.

“Pippi zet de boel op stelten?”, Philippes vrouw aarzelde toen ze op de kassa afstapten, “Denk je dat dat wel goed is voor haar?” Het antwoord dat Philippe haar met de ogen gaf was duidelijk. “Drie kaartjes voor Pippi”. Philippes en Judy’s ogen kruisten elkaar. Vuur! Fire! Feu! Ignis! “U opnieuw. Ik had niet verwacht dat u een vrouw en kinderen had, u kent de weg”, sprak Judy onverwacht giftig. Ze keek daarbij nadrukkelijk naar Philippes vrouw.

Alicia had inmiddels de andere kinderen gevonden en in het café was het aantal geproduceerde decibels inmiddels tot ongekende hoogten gestegen. Philippe glimlachte schuchter naar zijn vrouw. Judy voelde een onbehaaglijke warmte uit haar buik opstijgen. Ergens wist ze dat het verkeerd was maar ze had niet écht iets verkeerd gezegd, vond ze.

Terwijl de film speelde zat Judy in de bar. Ze zette een koffie en haalde het kaartje van Philippe uit de kassa. Immo Deco. Philippe Vanhoutte. Projectmanager. Telefoonnummer. Mobiel. Fax. E-mailadres. Judy nam de telefoon en belde het vaste nummer. “Hoeveel bent u bereid voor mijn cinema te bieden?”, ze hoorde zichzelf de vraag stellen. Alsof haar mond en haar verstand niet in het minst met elkaar in contact stonden. “Philippe Vanhoutte” is gisteren langsgekomen. Ze legde in toen ze de tweede spoel van ‘Pippi zet de boel op stelten’ op de projector moest zetten en belde daarna opnieuw het nummer. “Philippe is hier niet langer in dienst mevrouw, daar zijn wij zeker van. Zegt u hem dat hij ons dringend moet bellen”. Intussen was Pippi’s avontuur als zwerver ten einde gekomen.

De kinderen kwamen, nog wilder dan ze al waren voor de film, de zaal uit. “Ik ga zwerver worden”, riep er eentje. “Blijf jij maar hier”, riep de moeder, “een chocolademelk voor jullie?”. Philppe zette zich aan een tafeltje. “Heeft u ook echte espresso”, opnieuw was zijn vraag geen vraag maar een regelrechte aanval, “doe toch maar twee cava en een cola”. Judy bracht de bestelling met haar breedste glimlach naar het tafeltje. “Ik had zopas uw werkgever aan de lijn”, sprak Judy ” u moest hem maar eens bellen”.

Categorieën
Uncategorized

Mond aan mond

Vreemd toch hoe “het woord” zich verspreidt. Ga ik ergens aan de slag, zit ik voor ik het weet teksten te produceren en aan computers te sleutelen. Ook al zegt mijn kaartje daar dan niets over. “Het woord” heeft zich inmiddels ook de straat in genesteld. Vandaag ADSL op draadloos gezet en een computerkuisbeurt in het verschiet. Een schrijvende marketing-communicatieadviserende computerhersteller. Zou daar een markt voor zijn?

Categorieën
Uncategorized

Binnen of buiten

Het is november. En koud. Om dan in een tentje te gaan zitten, daarvoor moet ge goed zot zijn. Of een stageplaats willen veroveren bij Duval Guillaume. Voor een stageplaats? In deze kou? Met die regen? Inderdaad, zot zijn doet geen zeer maar het kan u een serieuze valling bezorgen.

Wel knap gevonden van die twee (tenzij de stageplaatsen al lang uitgedeeld zijn en de actie een promotiestunt voor DG is). Dan is het knap gevonden van Duval Guillaume. Ere wie ere toekomt. De avonturen van de twee kan je alvast volgen op http://www.wijblijvenbuiten.be

Wat zou je moeten doen om bij Duval Guillaume te mogen werken?

Categorieën
Uncategorized

Concurrentie

Apple en Microsoft doen een robbertje naar aanleiding van de nieuwe Windows 7. Kinderen gebruiken voor reclame vind ik meestal goedkoop maar dat van MS is zo schattig… Momenteel toch niet aan verandering toe dus geef ik ze alle twee maar mee.

Categorieën
Uncategorized

Grooveshark

Muziekliefhebbers, juicht!  Nu Last.fm op zijn laatste benen loopt, is hier (alweer) een mogelijke opvolger. Grooveshark is de naam en het moet gezegd: dit is echt een leuk speelgoedje. Bestaat al van 2007 maar is recent in een nieuw jasje gestoken. Met succes.

Zonet had ik bijvoorbeeld zin in het nummer Kashmir van Led Zepplin. Een klassieker waar ik mee groot ben geworden. Dat nummer voeg ik na een zoekopdracht met een muisklik toe aan mijn speellijst. Een klik op de radioknop geeft me suggesties voor een nieuw nummer (in mijn geval iets van The Who).

Een nieuwe zoekopdracht brengt mij potentieel bij 7.000.000 (and counting) nummers. Daar ben je toch al snel een jaar of 45 mee bezig. Zo lang zal de dienst niet bestaan, zo mag gevreesd worden. Gezien de verhoogde druk van auteursrechtenmaatschappijen. Maar tot het zo ver is. Music Maestro.

Ook proberen: http://grooveshark.com

Als je zelf muziek maakt is daar met een uploadfunctie ook aan gedacht.

Categorieën
Uncategorized

Soggy Bottom Boys

Vanaf komende zaterdag kan je bij een Belgische kwaliteitskrant de films van de gebroeders Coen kopen. Dat zal ik niet gaan doen. Al dat verzamelen op den duur… Wel haal ik graag nog eens een filmpje van Youtube. Bovenstaande kerels zijn immers de helden in de Coen-film Oh Brother, Where Art Thou? uit het gezegende jaar 2000.

De film vertelt Odysseus’ omzwervingen maar dan in de VS ten tijde van de grote depressie. Inclusief cyclopen, sirenen en waarzeggers. Het is de grappigste film die ik ooit heb gezien en zij die dat nog nooit deden moeten nu de jas aan naar de videotheek. The Soggy Bottom Boys is overigens de enige niet-bestaande band die een nummer-één hit scoorde in de VS. Ik vind het filmpje al lachen.

Mijn favoriete quote uit de film: “Do not seek the treasure!”. Lachen. Het is gezond.