Categorieën
Uncategorized

Binnen of buiten

Het is november. En koud. Om dan in een tentje te gaan zitten, daarvoor moet ge goed zot zijn. Of een stageplaats willen veroveren bij Duval Guillaume. Voor een stageplaats? In deze kou? Met die regen? Inderdaad, zot zijn doet geen zeer maar het kan u een serieuze valling bezorgen.

Wel knap gevonden van die twee (tenzij de stageplaatsen al lang uitgedeeld zijn en de actie een promotiestunt voor DG is). Dan is het knap gevonden van Duval Guillaume. Ere wie ere toekomt. De avonturen van de twee kan je alvast volgen op http://www.wijblijvenbuiten.be

Wat zou je moeten doen om bij Duval Guillaume te mogen werken?

Categorieën
Uncategorized

Concurrentie

Apple en Microsoft doen een robbertje naar aanleiding van de nieuwe Windows 7. Kinderen gebruiken voor reclame vind ik meestal goedkoop maar dat van MS is zo schattig… Momenteel toch niet aan verandering toe dus geef ik ze alle twee maar mee.

Categorieën
Uncategorized

Grooveshark

Muziekliefhebbers, juicht!  Nu Last.fm op zijn laatste benen loopt, is hier (alweer) een mogelijke opvolger. Grooveshark is de naam en het moet gezegd: dit is echt een leuk speelgoedje. Bestaat al van 2007 maar is recent in een nieuw jasje gestoken. Met succes.

Zonet had ik bijvoorbeeld zin in het nummer Kashmir van Led Zepplin. Een klassieker waar ik mee groot ben geworden. Dat nummer voeg ik na een zoekopdracht met een muisklik toe aan mijn speellijst. Een klik op de radioknop geeft me suggesties voor een nieuw nummer (in mijn geval iets van The Who).

Een nieuwe zoekopdracht brengt mij potentieel bij 7.000.000 (and counting) nummers. Daar ben je toch al snel een jaar of 45 mee bezig. Zo lang zal de dienst niet bestaan, zo mag gevreesd worden. Gezien de verhoogde druk van auteursrechtenmaatschappijen. Maar tot het zo ver is. Music Maestro.

Ook proberen: http://grooveshark.com

Als je zelf muziek maakt is daar met een uploadfunctie ook aan gedacht.

Categorieën
Uncategorized

Soggy Bottom Boys

Vanaf komende zaterdag kan je bij een Belgische kwaliteitskrant de films van de gebroeders Coen kopen. Dat zal ik niet gaan doen. Al dat verzamelen op den duur… Wel haal ik graag nog eens een filmpje van Youtube. Bovenstaande kerels zijn immers de helden in de Coen-film Oh Brother, Where Art Thou? uit het gezegende jaar 2000.

De film vertelt Odysseus’ omzwervingen maar dan in de VS ten tijde van de grote depressie. Inclusief cyclopen, sirenen en waarzeggers. Het is de grappigste film die ik ooit heb gezien en zij die dat nog nooit deden moeten nu de jas aan naar de videotheek. The Soggy Bottom Boys is overigens de enige niet-bestaande band die een nummer-één hit scoorde in de VS. Ik vind het filmpje al lachen.

Mijn favoriete quote uit de film: “Do not seek the treasure!”. Lachen. Het is gezond.

Categorieën
Uncategorized

Mijn/onze andere blog

Bloggen, het klinkt nog altijd een beetje vreemd om het als hobby te hebben maar het moet gezegd, ik blog wat af dezer dagen. Niet alleen hier maar ook op de blog van onze buurt, Oud Borgerhout. We mengen hyperlokaal nieuws met historisch materiaal over het district. Een beetje erfgoed 2.0, zeg maar.

Leuk om doen en je leert nog eens wat bij over je buurt. Als je wat oudere mensen met fotocollecties in de buurt hebt wonen en je hebt ook nog wat tijd over: zeker een aanrader.

http://krugerpleinpeperbus.blogspot.com

Als je in Borgerhout woont, is dit zeker een must-read. Als je toevallig nog een fotoalbum uit je Borgerhoutse jeugd hebt liggen, laat van je horen, die foto waarop je met je eerste lief op de kermis te zien bent, halen we er wel uit.

Kudos voor initiatiefnemer Hans en medebloggers Simon, Leen, Elise en Erwin

Categorieën
Uncategorized

Het eerste

Zo, mijn eerste verhaal voor NaMoWriMo is af. Het is geen makkelijke bevalling geworden. We hadden een tiental dagen terug al samen gezeten om wat af te stemmen en mijn onderwerp was toen komen opborrelen. In tien dagen kan je best wat bij elkaar denken, zo blijkt.

Kortom: om binnen mijn limiet van 2200 woorden te blijven heb ik enkele scènes moeten schrappen, inkorten en wat herwerken. Ik geloof niet dat het verhaal helemaal zal blijven staan zoals het er nu staat maar de 2160 woorden voor mijn aandeel zijn binnen.

Het is mijn eerste fictieverhaal ooit. Uw commentaar is dus zeker welkom. Als je rechtsboven deze pagina je mailadres opgeeft, krijg je dit verhaal en de volgende ook per mail bezorgd. Of er is de RSS-feed natuurlijk.

Dagmar

Het is moeilijk te begrijpen, ik weet het. De plaats, de manier waarop ik hier nu zit. De manier waarop ik hier gekomen ben. De plaats die ik voor u inneem. Een ondergeschikte. Spreekwoordelijk geknield, en terecht, dat zal ik niet ontkennen, voor de arm van de wet. Voor een buitenstaander zoals u is het haast niet te bevatten. Ik ben onopvallend. Ik bezit een appartement, een goede muziekinstallatie waarop ik mijn platen van Bach kan spelen, een auto, een baan, collega’s. Wat gebeurd is, is gebeurd, zou ik kunnen zeggen, maar dat vertelde ik u al toen u mij hier binnenbracht. Ik kan het uitleggen. Niet alles maar toch ten dele.

Het begint, denk ik, allemaal bij de geboorte. In zekere zin begint bij ieder mens alles bij de geboorte, maar mijn geboorte was bijzonder. Misschien begon het bij mij zelfs eerder. Ik ben wat men noemt een ongelukje. Een ongeluk waar mijn moeder niet omheen kon, waardoor ze mij bij gebrek aan medeleven of inspiratie het leven schonk. Dat heb ik nooit voor iemand verborgen willen houden. Wie mijn moeder was of wie ze is, heb ik nooit geweten. Niet dat ik het, zoveel jaar later, nog te weten wil komen, maar ik vind dat u het moet weten. Mijn moeder heeft me na de geboorte nog even in de armen genomen, stel ik me voor, mij een kus gegeven, een kruisje op het voorhoofd misschien, zoals de nonnen dat in het opvanghuis deden. Misschien heeft ze mij de borst gegeven. Nog even getwijfeld. Enkele dagen later heeft ze zichzelf uit het ziekenhuis ontslagen. Ik sliep. Niemand hield haar tegen. Zij is verdwenen, ik ben gebleven.

Ik ben altijd gebleven. Hoewel ik geen enkele band met deze stad, dit land of dit werelddeel heb, ben ik nooit verhuisd. Niet met de mensen die er wonen, niet met de chaos die er heerst. Ooit was ik in Amerika, New York. Ik had er veel van verwacht. De stratenplannen in dambordpatroon deden rust en orde vermoeden. Maar stratenplannen tonen niet alles. Stratenplannen, hoe dambordvormig ook, tonen niet de scheeftrekkingen en de aberraties. Ze tonen niet het vuil dat zich zowel buiten als binnen afspeelt. Ik kwam terug en besloot nooit terug te gaan. Grootsteden hebben last van algemene amnesie. Achter de snelle veranderingen schuilt de angst voor het heden. Het verleden wordt in musea weggestopt, maar buiten laten enkel de betonboeren van zich horen. Elke straat wordt gebouwd, afgebroken en terug opgebouwd. Elke keer hoger, schijnbaar performanter. Daarmee wordt het geheugen van de stad, het geheugen van de mensen die er wonen, uitgewist. Een schijnbaar nieuw begin, belast met wat uit het verleden is overgebleven. Niemand weet nog waar hij is. Chaos. Elke herinnering een hallucinatie, weggestopt in weer een nieuw gebouw dat de slachtoffers of de kunstenaars of de geschiedenis moet bewaren.

Mijn ideale stad heeft een dambordpatroon. Alle huizen dateren uit één bouwjaar. Mijn ideaal ligt verscholen in de abstractie van cijfers en lijnen. De meetkunde is de grootste van de kunsten. Mondriaan en Schoonhoven. Schoonhoven mist kleur maar heeft meer regelmaat. Ik ben niet triest, moet u weten. Het leven heeft kleur nodig. Niet zoals nu. Vandaag wil iedereen kleur hebben, beroemd zijn, opvallen. Iedereen is zogenaamd belangrijk. Ik ben realist. Mij ziet niemand staan en dat geldt voor de meerderheid van de bevolking. Alleen op de plekken waar kleur hoort, mag kleur zijn. Al het andere leidt af. Honderd witte mensen, tien in kleur. Het kan niet zo moeilijk zijn om mensen in te delen volgens categorieën, hen te labelen met een kleur. Met rechte lijnen tussen hen. Zorgvuldig gekozen raakpunten en, slechts op enkele plekken, kleur. Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Ik heb geprobeerd orde in het leven te brengen. Als je de wereld wil veranderen, moet je bij jezelf beginnen. Orde brengt rust en rust brengt rijkdom van de geest. Wanneer ik ‘s morgens opsta, weet ik al hoe mijn dag eruit zal zien. Ontbijt, uit werken, thuiskomen, eten, wandelen, slapen. Ik werk in stukjes van 25 minuten aan één project. Daarna neem ik 5 minuten pauze en ga ik verder of neem ik iets anders ter hand. De telefoon leg ik ‘s morgens van de haak. De deur van mijn kantoor heeft een bordje: “Hier werkt men, niet storen”. Ik heb het er niet zelf gehangen. Een collega deed dat nadat ik hem ei zo na in de haren was gevlogen toen hij met één van zijn domme vragen kwam aanzetten.

Wat denkt u nu over mij? Dat ik straks een ongelukkige jeugd zal pleiten als het zover komt? Dat ik mijn verantwoordelijkheid in deze zaak zal proberen te ontlopen? Dat een psychiater mij straks ontoerekeningsvatbaar zal verklaren? U dwaalt. Geen mens zal mijn verhaal geloven. Als ik het zelf al geloof. Mijn leven is het scenario voor een B-film, waarvan de scènes kraken in hun voegen maar elkaar rechthouden zoals de oude huizen in onze stad. Wat ik heb geprobeerd, past vandaag nog niet, maar zal eens de regel zijn. Mijn experiment was tot mislukken gedoemd.

Achttien jaar ben ik onder de vleugels van de kerk gebleven. Eerst in het weeshuis bij de nonnen, daarna op het internaat bij de paters. Tot ik met een beurs aan de universiteit kon gaan studeren. Eén van de paters, onze leraar wiskunde, had dat geregeld. Hij liet me formulieren ondertekenen en nam de foto’s die ik later, vastgemaakt aan een officieel papier met handtekeningen en een stempel erop, kreeg teruggestuurd. “Jij hebt talent voor cijfers, mijn zoon”, vertelde hij mij toen ik samen met hem de les buitenkwam. We wandelden samen door de gang en discussieerden over de toepasbaarheid van kansberekening bij zeldzame gebeurtenissen. Hij legde zijn hand op mijn schouder en duwde er hard tegen, als wou hij mij daar ter plaatse een fysieke zet voor het leven geven.

Het hielp. Ik haalde een diploma. Een doctoraat. Ik vond een baan en ben ondanks besparingsrondes kunnen blijven zitten. Ook al krijg ik elk jaar weer tijdens het evaluatiegesprek bij mij directe chef te horen dat ik mij socialer op moet stellen. Dat ik open moet zijn tegenover collega’s, dat ik mijn collega’s niet moet buiten jagen als ze mij een vraag komen stellen wanneer ze vast zijn komen te zitten. Misschien dat ze mij na dit voorval ontslaan; ik zou hen begrijpen en niemand is onvervangbaar.

U wordt ongeduldig. Ik voel het. U heeft zichzelf niet meer helemaal onder controle. Daar schrik ik niet van. Het is weinigen gegeven om zich onder verschillende omstandigheden te kunnen bewegen. Volgens mij bent u ook een wit vlak, maar gelooft u zelf dat u blauw bent. Dat uw uniform afstraalt op uw persoonlijkheid. Ik kom er wel, maar u moet het verhaal helemaal horen, zodat u het neer kan schrijven in verslagen en aktes die later gewikkeld in bruin papier op het bureau van de rechter zullen belanden.

Samen met mijn baan vond ik een verblijf. Een veel te duur appartement in het centrum van onze stad in een behoorlijk drukke straat met bomen die nog maar net waren aangeplant. De huisbazin woont op het gelijkvloers, daarboven woon ik, een studente betrok toen de twee bovenste verdiepingen van het oude herenhuis. Intussen woont er een koppel. Mijn verblijf is eng en naargeestig. Uit mijn voorkamer kijk ik niet verder dan de huizen aan de overkant. Een oneindige leegte van vijftien meter. Met daarachter meer van dat. Het uitzicht achteraan is erger. Een aaneenschakeling van huizen met hun achterliggende koterijen. In de winter een uitgestorven woestenij. In de zomers worden door de jonge gezinnen, die de stad er koste wat het kost wil laten wonen, zogenaamde gardenparty’s georganiseerd. Over het interieur hoef ik u niet te vertellen, dat heeft u gezien toen u zo nodig die huiszoeking moest doen, die heel mijn appartement tot een varkensstal heeft gemaakt.

Ondanks de oneindige leegte die mij omringt, ben ik blijven dromen van mijn ideale vrouw. Op het werk hebben we computers waarmee we gezichten digitaal kunnen laten samenvloeien. Wist u dat de meeste mensen aan een gemiddeld gezicht de voorkeur geven? Nog maar eens een bewijs dat mijn theorieën steek houden. Gemiddeldes en medianen zijn de weg om te bewandelen. Het leven dwingt naar grenswaarden maar dat is schijn.

Ik herinner mij haar eerste stap in mijn leven. Ze kwam uit het niets opgedoken en verlichtte de hele straat. De zwarte lijn die ik er steeds had gevoeld, kleurde hel rood. Eerst voorzichtig. Daarna steeds nadrukkelijker. Ze was met haar ouders en haar broer in een huis getrokken iets verderop in de straat. Ze flaneerde door de straat, ze wandelde nooit. Hoewel ik een stuk ouder was dan haar, voelde ik dat het schilderij van mijn leven met één tik van haar hakken op het voetpad aan de overkant van de straat evenwicht had gevonden. Ik gaf haar een naam. Dagmar. Naar het hoofdpersonage uit het boek dat ik op dat moment aan het lezen was.

Een relatie met een vrouw heb ik nooit gehad. Ik val op lieve, zachte meisjes denk ik. Ik vind het moeilijk om toe te geven, maar ik heb het nooit gedaan met een vrouw en als mijn situatie is wat ze lijkt, dan ziet het ernaar uit dat dat ook niet voor de komende periode zal zijn. Op een dag belde ik het telefoonnummer dat ik vond in een regionale krant. Een jonge meisjesstem antwoordde. De eerste keer legde ik dicht. De volgende keer slaagde ik erin een gesprek te hebben. Ze vroeg mijn adres, ze zei dat ze langs zou komen. Dat ik niets hoefde te betalen als er niets gebeurde. Het was de enige keer dat ik het bed met een vrouw deelde die niet mijn moeder is.

Op weg naar de bushalte iets verderop in de straat passeerde Dagmar elke morgen aan mijn raam voorbij. Ze haalde de bus van vijf voor acht altijd maar net. Ze liep dan op die hakken van haar het huis uit, de straat over en met een sprongetje de bus op. Buschauffeurs die haar niet aan de halte zagen staan, stopten even, haalden hun zakdoeken boven of aarzelden bij het teruggeven. Wanneer ze aan kwam snellen, sloten ze ostentatief de deur om ze even later galant en met een knipoog opnieuw open te kunnen doen.

Waarom ik gedaan heb wat ik gedaan heb, zal u duidelijk worden. Ik hoop dat u in het kader van het gezegde meer begrijpt van wat ik heb willen zeggen met mijn daad. Het is een verkeerde manier van communiceren, maar u moet begrijpen dat ik geen andere weg meer zag, ik had alle pogingen ondernomen om haar te vertellen wat ik wilde maar ze heeft niet één keer naar mij geluisterd.

Ik vond de naam op de bel van haar huis. Kathleen. Dagmar heette Kathleen. Kathleen zou in de maanden daarna en tot nu steeds op die hakken door mijn leven slalommen. Elke stap hard benadrukkend met een tik tegen het wegdek. Ik probeerde om vijf voor acht naar mijn auto te stappen, ik wilde haar een lift aanbieden als ze de bus niet zou halen, maar steeds weer holde ze me voorbij. Ze lachte wanneer ze me passeerde. Ze lachte naar mij. Ik verstijfde en knikte beleefd terug.

Toen begon ik brieven te schrijven. Ik druk mij beter uit met geschreven woorden, moet u weten. Ik ondertekende met X. ’s Morgens, wanneer ze naar de bus rende, hield ze de brieven in haar hand. Ik zorgde ervoor dat ze niet wist wie ik was. Dat zou later komen. Ik zocht haar naam op het internet en zag hoe populair ze was. Mijn vlak werd witter, het hare steeds roder. De lijnen die ons scheidden, deinden uit.

Gisteren besloot ik dat ik het haar zou zeggen. Dat zij het was waar ik al die tijd naar uit heb gekeken. Toen ze na school van de bus stapte, hield ik haar tegen. Het getik in de straat hield op. Ik stamelde. Ik zei dat ik haar buurman was. Dat ik haar brieven had geschreven. Dat ze de vrouw van mijn dromen was. Weer lachte ze. Luid en hard deze keer. Ze was helemaal niet het zachte meisje dat ik me had voorgesteld. Ze liep me voorbij, draaide zich nog één keer om en riep “Freak” naar me. “Freak”. Ze duwde het hard en sissend tussen haar tanden.

Toen heb ik mijn auto genomen en ben door de stad gaan rijden. Telkens weer, op en neer tussen de haven en de stadsrand en weer terug. Deze middag zag ik haar aan de rand van het park. Ze was kwaad en riep op een jongen die ik eerder in de straat had gezien. Ze was helemaal niet Dagmar. Ze riep en maakte drukke gebaren. Ze creëerde chaos. De jongen was verward. Toen heb ik mijn gaspedaal ingedrukt.

Categorieën
Uncategorized

Een tip van de sluier

Over de deelname aan NaNoWriMo schreef ik vorige week al. Het eerste stukje, geschreven door @Topanga ofte Anne is inmiddels verschenen op haar blog.

Mijn stukjes zullen een heel andere stijl hanteren en toch vertellen we aan hetzelfde verhaal. Om de spanning wat kunstmatig op te drijven alvast drie zinnen uit mijn stukje dat momenteel de werktitel “(Not) A momentary lapse of reason” heeft meegekregen.

Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Morgen dus de andere 2000 woorden.

Categorieën
Uncategorized

Schaatsen

De bladeren zijn nog volop aan het vallen, de dagen zijn al korter, de centrale verwarming is aangezet. De herfst is in het land en toont zijn eerste winterse trekjes. Het is een periode van kou, van regen en van wind maar ook van charme, pannenkoeken en warme chocolademelk en gezellig op de bank. Het televisieschaatsseizoen is opnieuw begonnen. Ik zoek de vind-ik-leuk-knop.

Categorieën
Uncategorized

Bruxelles, ma belle

Gisteren een middagje Brussel gedaan. Brussel is zo’n stad waar ik zou kunnen wonen (net zoals Berlijn, in tegenstelling tot Wenen). Brussel heeft nogal wat op een beperkte oppervlakte.

Alleen jammer van het falende mobiliteitsbeleid. De Anspachlaan bijvoorbeeld, een autostrade vlak tegen de grote markt. De Kleine Ring, een verstopte slagader. Maar dus ook strakke kantoorgebouwen en kleine steegjes. Wat heuvelend ook, altijd belangrijk voor een stad.

Ze hebben daar ook een website over, over wonen in Brussel bedoel ik dan, die heet Wonen in Brussel.

Categorieën
Uncategorized

Pompoensoep

Als mij vandaag één pompoen de weg kruist, dan maak ik er soep van, ik zweer het u. Halloween. Feest van Blokker en Wibra. Importproduct van plasticboeren en televisiecoöperaties. Een anticultuurproduct. Mentale steun voor het Pumpkin Liberation Army.

Disclaimer: ik steun niet de diefstal van pompoenen, als wel het maken van soep met die dingen.

Categorieën
Uncategorized

Over de trein en de wereld

Vanmorgen zat ik op de trein richting Kortrijk en Lille Flandres vanuit Antwerpen. De treinconducteur riep om dat de trein gesplitst zou worden in Kortrijk en dat passagiers die zich mogelijks per abuis in het verkeerde rijtuig zouden bevinden zich naar het voor hen bedoelde rijtuig dienden te begeven. Indien niet meteen door de trein, dan later in Kortrijk over het perron.
Hij deed dat in het Nederlands. Uiteraard. Van alle steden is Antwerpen wel de meest Vlaamse en dus is Nederlands de voertaal. Of niet? Van alle Vlaamse steden is Antwerpen ook de meest internationale. Deze trein had als bestemming een stad in het noorden van Frankrijk, alwaar een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands.
Dat vind ik dan vreemd. Een internationale trein uit een internationale stad wordt toegesproken door een conducteur -of dien ik in het kader van het gestelde ‘reisbegeleider’ te zeggen- in een taal die door nog geen procent van de wereldbevolking wordt gesproken en begrepen. Duidt het niet op een nogal kortzichtige pose dat wij, om onszelf op een piedestal te zetten ons laten aanspreken in die taal?
Dat ik wordt toegesproken in het Nederlands vind ik nodig, dat mijn Pakistaanse reisgenoot aan de uitleg maar weinig heeft gehad kan ik aan zijn gezicht aflezen. Er zullen wel regels zijn, wetten misschien, die deze reisbegeleider oplegt in welke taal hij zijn schapen moet hoeden maar zou het niet van wat ruimdenkendheid getuigen. Van realiteitszin misschien wel, wanneer iedereen wordt aangesproken in een taal? Gebarentaal ook.
Vlamingen kokketeren graag met hun talenkennis: wanneer wij in het buitenland op reis gaan spreken we de mensen aan in hun taal. Ne Servessa Por Pavor. En voor u schat? Dos. Dos Servessas. En la Kwenta. We proberen Engels. Frans desnoods. Met hevige accenten die de taal meer laten lijken op het lokale dialect van de spreker dan op te taal van de ontvanger zoals een landschap van matisse ook meer lijkt op een andere matisse dan het eigenlijke, bedoelde landschap.
We kokketeren graag in een ander land maar niet in dat van ons. Daar zijn wij heer en meester. Daar moet de ander zich aanpassen. Hij moet luisteren naar onze taal. Er uitzien als ons en liefst een pint bestellen in onze cafés. Hoe lang zou het duren voor we durven zeggen: we leven in een internationale omgeving, we leven in een multicultureel land. Een babel van talen en culturen. We zijn een minderheid in de wereld. Wat wetgevingen en regels ook beweren. Wat ons buikgevoel ons ook dicteert.

Vanmorgen zat ik op de trein richting Kortrijk en Lille Flandres vanuit Antwerpen. De treinconducteur riep om dat de trein gesplitst zou worden in Kortrijk en dat passagiers die zich mogelijks per abuis in het verkeerde rijtuig zouden bevinden zich naar het voor hen bedoelde rijtuig dienden te begeven. Indien niet meteen door de trein, dan later in Kortrijk over het perron.

Hij deed dat in het Nederlands. Uiteraard. Van alle steden is Antwerpen wel de meest Vlaamse en dus is Nederlands de voertaal. Of niet? Van alle Vlaamse steden is Antwerpen ook de meest internationale. Deze trein had als bestemming een stad in het noorden van Frankrijk, alwaar een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands.

Dat vind ik dan vreemd. Een internationale trein uit een internationale stad wordt toegesproken door een conducteur -of dien ik in het kader van het gestelde ‘reisbegeleider’ te zeggen- in een taal die door nog geen procent van de wereldbevolking wordt gesproken en begrepen. Duidt het niet op een nogal kortzichtige pose dat wij, om onszelf op een piëdestal te zetten ons enkel laten aanspreken in die taal?

Dat ik word toegesproken in het Nederlands vind ik nodig, dat mijn Pakistaanse reisgenoot aan de uitleg maar weinig heeft gehad kan ik aan zijn gezicht aflezen. Er zullen wel regels zijn, wetten misschien, die deze reisbegeleider oplegt in welke taal hij zijn schapen moet hoeden maar zou het niet van wat ruimdenkendheid getuigen, van realiteitszin misschien wel, wanneer iedereen wordt aangesproken in een taal? Gebarentaal ook.

Vlamingen koketteren graag met hun talenkennis: wanneer wij in het buitenland op reis gaan spreken we de mensen aan in hun taal. Ne Servessa Por Pavor. En voor u schat? Dos. Dos Servessas. En la Kwenta. We proberen Engels. Frans desnoods. Met hevige accenten die de taal meer laten lijken op het lokale dialect van de spreker dan op te taal van de ontvanger zoals een havenzicht van Matisse ook meer lijkt op een andere Matisse dan het eigenlijke, bedoelde zicht.

We kokketeren graag in een ander land maar niet in dat van ons. Daar zijn wij heer en meester. Daar moet de ander zich aanpassen. Hij moet luisteren naar onze taal. Er uitzien als ons en liefst een pint bestellen in onze cafés. Hoe lang zou het duren voor we durven zeggen: we leven in een internationale omgeving, we leven in een multicultureel land. Een babel van talen en culturen. We zijn een minderheid in de wereld. Wat wetgevingen en regels ook beweren. Wat ons buikgevoel ons ook dicteert.

Categorieën
Uncategorized

Een bekend gevoel…

De officiële bronvermelding luidt: Cartoon by Dave Walker. Find more cartoons you can freely re-use on your blog at We Blog Cartoons.

Echt geestige, vaak geeky cartoons.