Bruxelles, ma belle

Gisteren een middagje Brussel gedaan. Brussel is zo’n stad waar ik zou kunnen wonen (net zoals Berlijn, in tegenstelling tot Wenen). Brussel heeft nogal wat op een beperkte oppervlakte.

Alleen jammer van het falende mobiliteitsbeleid. De Anspachlaan bijvoorbeeld, een autostrade vlak tegen de grote markt. De Kleine Ring, een verstopte slagader. Maar dus ook strakke kantoorgebouwen en kleine steegjes. Wat heuvelend ook, altijd belangrijk voor een stad.

Ze hebben daar ook een website over, over wonen in Brussel bedoel ik dan, die heet Wonen in Brussel.

Over de trein en de wereld

Vanmorgen zat ik op de trein richting Kortrijk en Lille Flandres vanuit Antwerpen. De treinconducteur riep om dat de trein gesplitst zou worden in Kortrijk en dat passagiers die zich mogelijks per abuis in het verkeerde rijtuig zouden bevinden zich naar het voor hen bedoelde rijtuig dienden te begeven. Indien niet meteen door de trein, dan later in Kortrijk over het perron.
Hij deed dat in het Nederlands. Uiteraard. Van alle steden is Antwerpen wel de meest Vlaamse en dus is Nederlands de voertaal. Of niet? Van alle Vlaamse steden is Antwerpen ook de meest internationale. Deze trein had als bestemming een stad in het noorden van Frankrijk, alwaar een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands.
Dat vind ik dan vreemd. Een internationale trein uit een internationale stad wordt toegesproken door een conducteur -of dien ik in het kader van het gestelde ‘reisbegeleider’ te zeggen- in een taal die door nog geen procent van de wereldbevolking wordt gesproken en begrepen. Duidt het niet op een nogal kortzichtige pose dat wij, om onszelf op een piedestal te zetten ons laten aanspreken in die taal?
Dat ik wordt toegesproken in het Nederlands vind ik nodig, dat mijn Pakistaanse reisgenoot aan de uitleg maar weinig heeft gehad kan ik aan zijn gezicht aflezen. Er zullen wel regels zijn, wetten misschien, die deze reisbegeleider oplegt in welke taal hij zijn schapen moet hoeden maar zou het niet van wat ruimdenkendheid getuigen. Van realiteitszin misschien wel, wanneer iedereen wordt aangesproken in een taal? Gebarentaal ook.
Vlamingen kokketeren graag met hun talenkennis: wanneer wij in het buitenland op reis gaan spreken we de mensen aan in hun taal. Ne Servessa Por Pavor. En voor u schat? Dos. Dos Servessas. En la Kwenta. We proberen Engels. Frans desnoods. Met hevige accenten die de taal meer laten lijken op het lokale dialect van de spreker dan op te taal van de ontvanger zoals een landschap van matisse ook meer lijkt op een andere matisse dan het eigenlijke, bedoelde landschap.
We kokketeren graag in een ander land maar niet in dat van ons. Daar zijn wij heer en meester. Daar moet de ander zich aanpassen. Hij moet luisteren naar onze taal. Er uitzien als ons en liefst een pint bestellen in onze cafés. Hoe lang zou het duren voor we durven zeggen: we leven in een internationale omgeving, we leven in een multicultureel land. Een babel van talen en culturen. We zijn een minderheid in de wereld. Wat wetgevingen en regels ook beweren. Wat ons buikgevoel ons ook dicteert.

Vanmorgen zat ik op de trein richting Kortrijk en Lille Flandres vanuit Antwerpen. De treinconducteur riep om dat de trein gesplitst zou worden in Kortrijk en dat passagiers die zich mogelijks per abuis in het verkeerde rijtuig zouden bevinden zich naar het voor hen bedoelde rijtuig dienden te begeven. Indien niet meteen door de trein, dan later in Kortrijk over het perron.

Hij deed dat in het Nederlands. Uiteraard. Van alle steden is Antwerpen wel de meest Vlaamse en dus is Nederlands de voertaal. Of niet? Van alle Vlaamse steden is Antwerpen ook de meest internationale. Deze trein had als bestemming een stad in het noorden van Frankrijk, alwaar een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands.

Dat vind ik dan vreemd. Een internationale trein uit een internationale stad wordt toegesproken door een conducteur -of dien ik in het kader van het gestelde ‘reisbegeleider’ te zeggen- in een taal die door nog geen procent van de wereldbevolking wordt gesproken en begrepen. Duidt het niet op een nogal kortzichtige pose dat wij, om onszelf op een piëdestal te zetten ons enkel laten aanspreken in die taal?

Dat ik word toegesproken in het Nederlands vind ik nodig, dat mijn Pakistaanse reisgenoot aan de uitleg maar weinig heeft gehad kan ik aan zijn gezicht aflezen. Er zullen wel regels zijn, wetten misschien, die deze reisbegeleider oplegt in welke taal hij zijn schapen moet hoeden maar zou het niet van wat ruimdenkendheid getuigen, van realiteitszin misschien wel, wanneer iedereen wordt aangesproken in een taal? Gebarentaal ook.

Vlamingen koketteren graag met hun talenkennis: wanneer wij in het buitenland op reis gaan spreken we de mensen aan in hun taal. Ne Servessa Por Pavor. En voor u schat? Dos. Dos Servessas. En la Kwenta. We proberen Engels. Frans desnoods. Met hevige accenten die de taal meer laten lijken op het lokale dialect van de spreker dan op te taal van de ontvanger zoals een havenzicht van Matisse ook meer lijkt op een andere Matisse dan het eigenlijke, bedoelde zicht.

We kokketeren graag in een ander land maar niet in dat van ons. Daar zijn wij heer en meester. Daar moet de ander zich aanpassen. Hij moet luisteren naar onze taal. Er uitzien als ons en liefst een pint bestellen in onze cafés. Hoe lang zou het duren voor we durven zeggen: we leven in een internationale omgeving, we leven in een multicultureel land. Een babel van talen en culturen. We zijn een minderheid in de wereld. Wat wetgevingen en regels ook beweren. Wat ons buikgevoel ons ook dicteert.

Het verhaal van google

Er zijn van die dingen waarvan je denkt dat ze er altijd al zijn geweest en als ze dat al niet waren, dan hadden ze altijd al hebben moeten bestaan. Google valt precies in die categorie.

Stel je voor: een middeleeuwer die niet meer weet waar hij nu weer de beste lakenmarkt vindt of een Renaissancemens die opzoekt hoe die verdomde Grieken dat toch deden met die zuilen. De echte geschiedenis van Google hierboven, startend in 1995. Storytelling. Dat ook, inderdaad. Autohagiografie.

Dave Douglas

Gisteren trad in De Roma in Borgerhout Dave Douglas op. Samen met zijn quintet zette hij daar zijn Europese tournee in. Anders gezegd: het Dave Douglas quintet (Dave Douglas op trompet, Donnie McCaslin op sax, Uri Caine op piano, Matt Penman op bas en Clarence Penn op drums) speelde in mijn voortuin.

We kregen een wat mij betreft nogal braaf op gang komend concert te zien maar de kwaliteit druipt er op den duur zo hard van af dat je moet zeggen dat de opbouw goed was. Wanneer de tournee vordert en de tunes wat fijner in de vingers zitten een concert om niet te missen. Morgen in Amsterdam en daarna nog door heel Europa. Tourdata vind je op de site van Dave Douglas.

(do not) Please (do not) RT

Deze voormiddag zat ik te klussen aan een nieuwe website die moet dienen om mijn professionele dienstverlening op het interwebz bekend te maken. De site die ik daar tot op vandaag voor gebruik (janseurinck.be) is niet wat je noemt de best uitziende pagina van het westelijke halfrond. Dus ging ik maar weer eens aan de slag.

Nieuw domein, nieuwe wordpressinstallatie. Een nieuwe besttijd voor het opzetten denk ik ook. Een basistheme had ik al gevonden, alleen wat aanpassen en dat zou de job gaan doen. ‘Alleen wat’ is een gevaarlijke constructie als het op webdesign aankomt. Alvast voor mij. Ik ben geen webdesigner, dat geef ik toe. Maar de gedachten houden daar niet altijd rekening mee.

Wat doe je dan? Zo midden in de voormiddag, een uurtje of drie frustratie achter de rug? Een tweet, juist ja.

wil mijn schrijfskills ruilen voor een webdesign.

Waarop één, twee, drie mensen het ding herhalen en ik alvast twee afspraken met webdesigners vast heb liggen. Wat eigenlijk een uitspraak van onmacht was, zet me vandaag op weg naar wat ooit moet gaan zijn. Dat vind ik het leuke aan de internetcommunity. Het helpen zonder vragen, de open geest. Merci.

Weer een stap verder in wat ik zopas heb omgedoopt tot “Project I” (spreek uit als project i, niet als project één).

Bad advertising

Zoals sommigen onder u wel weten hang ik aan mijn podcast-en iTunesU-geladen iPod als een patiënt aan zijn baxter. Informatie slurpen, hoe meer, hoe liever.

Eén van mijn favoriete sprekers is Vincent Blasko van de Arizona State University tijdens de lessen MKT395. Een soort praktijkgerichte inleiding tot de marketing. Het gaat over strategie en executie en veel meer. Niet alleen, misschien niet zozeer de inhoud van de lessen doet er toe maar de manier waarop Blasko zijn leerlingen (en ik met hen) entertaint.

Hij schuwt de woorden awful, appalling en hideous niet. Iets wat je Belgen maar weinig zal horen doen. Dat siert ons, je moet oppassen dat je mensen niet persoonlijk raakt. Toch wil ik even een uitzondering maken voor de nieuwe campagne van de federale overheidsdienst volksgezondheid. Geen persoonlijke aanval op iets of iemand. Alleen even tonen, kaderen en mensen laten oordelen. Just terrible advertising.

Als u echt zelf wil, dan kan u hier een kijkje nemen.

Bizcamp

Vandaag vond in een onafgewerkte The Hub in Brussel de Belgische editie plaats van Bizcamp. Bizcamp is een, en ik citeer: “user generated business conference”. Ik was erbij en zag dat het goed was. Een proficiat aan het hele team. De lezingen van Tamara Gielen, Béate Vervaecke, Tijs Vrolix, Lodewijk Regout, Evan Van Lissum, Ghislaine Bovy en Leo Exter die ik bezocht waren stuk voor stuk interessant.

Na vier jaar als werknemer denk ik er immers over mijn expertise als freelancer in de markt te gooien. Als zelfstandige of iets in bijberoep. Ik dacht op Bizcamp het antwoord te vinden op enkele fundamentele vragen. Die vond ik her en der. Uiteraard kreeg ik niet op alle vragen een antwoord maar toch leerde ik bij. Dat ondernemen ook gaat over zelfvertrouwen bijvoorbeeld. En over in het water springen en dan pas zwemmen. Binnenkort toch maar eens knopen doorhakken over één en ander.

Afscheid

Dat we ooit afscheid zouden moeten nemen stond bij voorbaat vast. Met een fiets heb je geen eeuwigdurende relatie. Metaalmoeheid. De ouderdomskwaal van bejaarde fietsen. Hij die me ooit van kot naar aula en over café terug naar kot bracht is niet anders. Hij stond al een tijdje met meer mankementen dan wat anders te verkommeren in onze fietsenstalling. Een bejaarde waarvan de kinderen nog wel weten dat hij bestaat maar steeds minder op bezoek komen. Ik was een ondankbare zoon geworden.

Hij is vandaag meegegaan met twee mannen die hem zullen smelten en omvormen tot nieuwe fietsen. Hij was zo zwaar, dat er op zijn minst drie nieuwe fietsen uit zullen worden gegoten. Hij rammelde aan alle kanten toen ik er, als mijn cursus niet zo wou vlotten, de Kantienberg mee op sprintte. Hij kraakte toen ik er na mijn eerste academiejaar mee van Gent naar Kortemark stoomde. Elke brug een marteling. Een fietsavontuur om niet licht te vergeten.

De kleuren? Een lang verhaal.

Ik ben er helemaal week van.

Vooruit Gent

Het café van de Gentse cultuurtempel Vooruit is zo’n plek die ‘het’ heeft. Op het moment van schrijven toef ik er, temidden de bebaarde Westmalle-drinkers met een dik boek, de hippe Apple-creative, studenten ook die hun boeken openleggen naast een glaasje ice-tea. Ik drink een Guinness terwijl ik wacht en schrijf. Een enkele tweet ook, tussendoor.

Nochtans heeft de ruimte niets om ‘het’ te hebben. Het is eigenlijk te groot om gezellig te kunnen zijn maar er heerst een gezellige drukte. Een drukte die je op andere plekken zou laten vluchten maar een gezelligheid… het heeft geen naam. Draadloos internet toe. Wat moet een mens meer hebben? Hier kan ik verjaren.

Ajuin

Toen ik klein was en nog in Handzame woonde, werden in de tuin groenten gekweekt. Erwten die niet wilden, bonen die woekerden en tot drie keer toe oogst opleverden, aardappelen die gezellig werden geoogst met de viertand. Ajuinen ook. Mijn moeder is een fan van ajuin. Haar recepten beginnen steevast met “stoof een ajuin”. Zij gebruikt er twee.

Vandaag maakte ik vegetarische spaghetti bolognese naar moeders recept en dus begon ik met het stoven van een ajuin. Een groot exemplaar. Produce of Spain. Ik stel me voor hoe zo’n veld er uit ziet. Een veld ajuin en hoeveel van die velden je nodig hebt om de wereldconsumptie aan ajuin te volbrengen. Het zijn van die dingen die een mens’ voorstellingsvermogen te boven gaan.