De teleurstelling van het jaar

Ze rolden bijna over elkaar, de mensen die me er op wilden wijzen dat ik met de Google Pixel 4 XL de teleurstelling van het jaar had gekocht. Dat beweerden ze niet zelf. Dat beweerde Marques Brownlee in een video op YouTube (vanaf minuut 15:12). 

Ook ZDnet en Android Authority en andere reviewers waren niet laaiend enthousiast. Er viel anders wel een lijn op te trekken, op die slechte reviews: er was veel verwacht van de Pixel 4 en die verwachtingen waren om diverse redenen niet ingevuld. Teleurstelling was het logische gevolg. 

Mij gaf het een beetje de indruk dat mensen een vliegende auto hadden verwacht en dat de teleurstelling slechts een Lamborghini Aventador betrof. Maar toen was ik al vooringenomen. 

Een week met de Pixel 4 XL

Inmiddels loop ik dus een week rond met de Pixel 4 en ik kan niet zeggen dat ik zwaar teleurgesteld ben. De upgrade van mijn vorige telefoon (een bijna afgeschreven OnePlus) was dan ook niet min. 

Wat mij het meest opvalt is de batterijduur die ik uit de Pixel haal. Op werkdagen heb ik een pendel van ongeveer anderhalf uur à twee uur per dag. Tijdens die ritten sloot ik deze week de telefoon aan terwijl ik Android Auto, Waze en Audible gebruikte. Dat bleek voldoende om de dag door te komen en meer. Verder heb ik niet opgeladen. Helemaal niets. 

Daarnaast zijn er uiteraard de foto’s. Eén van de redenen waarom ik sowieso van plan was over te schakelen naar een nieuwe telefoon. Het moet gezegd: voor een teleurstelling van het jaar schiet dat ding best straffe beeldjes. 

Waarom ik een Pixel 4 kocht

Misschien moeten we even terug naar waarom ik überhaupt voor een Pixel ben gegaan. Ook al was er sprake van teleurstellingen. Ook al had ik voor hetzelfde (of iets minder) geld een andere telefoon kunnen kopen. 

Sowieso zou het opnieuw een Android telefoon worden. Wij zijn een Google Home / GSuite integratie familie en eens je die keuze gemaakt hebt, is er niet zo’n harde weg terug. iPads? Dat dan weer wel. 

De Google Pixel is daarenboven de flagship phone van big G. Dat betekent dat je drie jaar lang kan rekenen op het laatste Android besturingssysteem. Niet na drie-vier-zeven maanden maar op de dag dat het op de wereld wordt losgelaten. Features, toeters en bellen inbegrepen. 

Daarnaast zijn er de foto’s. Die waren op de Pixel 3 al ronduit indrukwekkend en zijn nog wat verbeterd heb ik de indruk. Om nu eind 2019 een telefoon te kopen van meer dan een jaar oud, dat vond ik echter wat te belachelijk. 

Misschien is de voornaamste reden nog irrationeel. Als ik heel eerlijk ben vind ik het wel leuk om een telefoon te hebben die je niet zo vaak ziet. Het is belachelijk en patserig, ik weet het maar ik wil daar ook niet flauw over doen. 

Is de Pixel 4 XL een teleurstelling?

Nee, de Google Pixel XL is niet goedkoop. Dat is geen enkele toptelefoon. Ja, er zijn voor dezelfde prijs snellere, grotere en smartphones met meer camera’s. Dat wist ik toen ik de telefoon bestelde. Hij doet echter waar ik ‘m voor gekocht heb. Dat lijkt me wel zo belangrijk. 

Een Google Pixel 4 kopen in België

Een aantal jaar geleden kocht ik me een Google Nexus. Dat was toen zeg maar de officiële Google-telefoon. De Google Nexus heet nu Google Pixel en bij Coolblue is die niet meer te koop. Zelfs op de officiële Google store voor België is er van de Google Pixel 4 geen sprake. Het zal met prioriteiten te maken hebben.

Lang verhaal kort: het glas van mijn OnePlus begaf het en ik had mijn gedacht eigenlijk al gemaakt. Ik dacht dus een ommetje Duitsland te maken. Daar koop je een Pixel immers gewoon van het schap van de jawaddedadde Mediamarkt.

Ich bin ein Ausländer

Er bleek ook een makkelijker manier om aan een Google Pixel 4 te geraken. Het antwoord op het raadsel ‘hoe koop je een Google Pixel in België’ luidt plain and simple ‘amazon.de’. Je hoeft er niet eens je naamvallen voor te hernemen want die .de versie bestaat gewoon ook in het Nederlands. 

Wanneer je een Amazon.com account hebt, werkt die ook op de .fr .co.uk of .nl versie. Dus ook op de Amazon.de. Wanneer je bij Amazon een business account aanmaakt en bestelt, dan wordt de BTW zelfs automagisch afgetrokken. Want ja, import uit het buitenland dus.

Zelf kocht ik de witte XL versie in 64GB. Dat wit om esthetische, werk- en merkaangelegenheden. Die XL omwille van de screen real estate en omdat ik graag nog eens een echt grote telefoon wilde. 64GB want ik ben mentaal niet klaar voor een telefoon van meer dan € 1000.

Wat kost een Google Pixel 4?

Je betaalt bij Amazon gewoon de prijs zoals je die in de winkel zou betalen. Op moment van schrijven is dat € 899 (BTW inclusief) voor de XL versie en € 695 (BTW inclusief) voor de gewone versie.

Er bestaan ook een hoop (vooral Nederlandse) sjacherwebsites die je een Google Pixel 4 willen verkopen tegen een invoermeerprijs. Helemaal nergens voor nodig dus.

Amazon levert je met medewerking van de Belgische posterijen zonder morren een Pixel aan huis. Nee, dat is geen next day delivery maar dat is voor mij nog nooit een bezwaar geweest. 

Amazon, srsly?!

Nee, bestellen bij Amazon zit nooit echt superlekker. Al zeker niet in de eindejaarsperiode. Daarvoor zijn de geruchten die je hoort over de werkomstandigheden in de Amazon distributiecentra meer dan iets te luid. Dat wordt enkele jaren extra in het vagevuur, later.

Mijn boeken van 2019

Het jaar zit er bijna op. Tijd om lijstjes te maken. Van de boeken die ik gelezen heb bijvoorbeeld. Dat blijken er dit jaar 25 te zijn. Het leeuwendeel hiervan gelezen als audioboek tijdens verplaatsingen van hot naar her.

De boeken staan in willekeurige volgorde. Want boeken vergelijken, dat lukt misschien nog binnen een genre en dan nog zal veel persoonlijk zijn. Er staat telkens een affiliatelink bij naar het boek. Gewoon. Omdat het kan. 

A brief history of time — Stephen Hawking

De geschiedenis van het heelal begrijpbaar voor gewone mensen. Dat moet zowat de pitch zijn waarmee je dit boek verkoopt. Deze gewone mens kwam bij tijd en wijlen wat voorstellingsvermogen tekort om de brief history helemaal te bevatten maar toch warm aanbevolen. 

Leonardo da Vinci — Walter Isaacson

Wat een onwaarschijnlijk verhaal. Uitvinder. Schilder. Beeldhouwer. Strateeg. Hij was het allemaal. De spreekwoordelijke twaalf stielen afgevinkt maar vaker succesvol dan niet. Het boek van Isaacson beschrijft het in detail. Het boek is minder druk dan de tentoonstelling. 

Mythos — Stephen Fry

De Griekse mythes herverteld en voorgelezen door meesterverteller Stephen Fry.  What can possibly go wrong? Niets dus. Toegegeven, nog niet helemaal uit dit (audio)boek maar toch ver genoeg om het al aan te bevelen. 

The laws of human nature — Robert Greene

In dit boek beschrijft Greene 48 wetten die de mens vormen tot wie hij is of zou kunnen zijn. Eigenlijk is dit boek de (veel) verbeterde versie van How to win friends and gain influence. Verbeterd in de zin dat het veel verder gaat. Niet toevallig een prijswinnaar in het businessboekenschap

Identity — Francis Fukuyama

Je kent de Amerikaanse politicoloog van Fukuyama nog van zijn The end of history. Dit boek gaat dieper in op het concept ‘identiteit’ wat in het politieke discours nogal een prominente rol speelt.. Als politiek anno 2019 je ook maar iets interesseert, is dit een boek dat je gelezen moet hebben

Ruined by design — Milke Monteiro

Dagelijks zie ik tot wat Facebook in staat is als het gaat over targeting. Mijn klanten verkopen potjes yoghurt en flesjes water, verzekeringen en opleidingen. Je weet echter dat je met dezelfde technieken ook angst en xenofobie kan verkopen. Monteiro maakt zich daar een boek lang kwaad over. Te lang uitgesponnen maar het geeft je tenminste 7 uur de tijd om er eens diep over na te denken. 

Range — David E Epstein

Een boek om mezelf te overtuigen van mijn eigen gelijk, zo beschreef ik het in een eerdere blogpost. Over waarom het beter is om van meer op de hoogte te zijn van alleen maar je eigen vakgebied. Lezen. 

E. — Matt Baumont

Het was sector- en modderfietsgenoot Kris die mij dit boek liet lezen. E. staat voor e-mail en het boek is een lange over en weer tussen mensen op een reclamebureau. Herkenbaar bij (vele) momenten en vast en zeker niet alleen voor mensen uit de marketing en communicatie. Een boek dat je laat relativeren. 

Alchemy — Rory Sutherland

Dit is het boek dat ik zelf had willen schrijven. Stop. Marketing en communicatie bekeken door de bril van evolutionaire en sociale psychologie. Het is wat Amerikaans soms en niet altijd één-op-één toepasbaar in de Europees-Belgische context maar toch zeer interessant. Jammer dat het al geschreven is dus.

Midnight in Tchernobyl — Adam Higginbotham

Toen in Tchernobyl het dak van reactor 4 de lucht werd ingeblazen, was ik druk op weg om puzzels van 32 stukken in elkaar te leggen. Veel te jong dus om het mij te herinneren. De reeks heb ik nog niet gezien maar het boek over de kernramp en vooral hoe het daarna ging, is alvast heel interessant om lezen. 

Achter de schermen bij Decathlon bikes

Of iemand -ooit- tweeduizendzeshonderd Euro zou neertellen voor een Decathlon koersfiets? Dat vroeg ik me luidop af toen ik voor het eerst de nieuwe koersfietsenrange van Decathlon zag. Het volgende wat ik weet, is dat ik samen met nog drie koersfietsliefhebbers naar BTWIN Village in Lille reed om er een vrij exclusief kijkje achter de schermen te gaan nemen.

BTWIN Village is een aan fietsen gewijde campus van Decathlon in het noorden van Frankrijk. Er is een winkel, een soort fitnesscentrum én het R&D centrum van de sportsupermarktketen. Niet toevallig dichtbij de kasseien van Parijs-Roubaix. Zo doen ze dat bij Decathlon met hun campussen. De ski-specialisten zitten in Chamonix, de surfspecialisten ergens aan de oceaan.

De fietsen van Decathlon

Vijf miljoen fietsen verkoopt Decathlon per jaar. Ze doen dat onder een aantal verschillende merken. Het bekende BTWIN, Triban, Mountainbikemerk Rockrider en het nieuwe koersfietsenmerk Van Rysel. Ze doen dat ook al heel lang. In de jaren ’90 waren ze zelfs fietssponsor van Cofidis. Al waren de fietsen waar die gasten op reden nooit écht te koop.

Die fietsen worden dus allemaal ontworpen en ontwikkeld in het research en development center in Rijsel. Tekenen, 3D-printen, prototypen, testen. We mochten er geen foto’s nemen en veel van wat gezegd werd is niet voor publicatie maar wat ik gezien heb: aan toeval wordt het niet overgelaten.

Het (Belgische) opperhoofd van de stadsfietsendesignafdeling die ons de weg wees wist ons ook te vertellen dat iedereen die bij Decathlon fietsen aan de slag is, ook zelf met de fiets rijdt. Ja, ook de kleurspecialist en de trendwatcher.

De psychologie van fietsen

Maar koersfietsen dus. De reden van ons bezoek. Bij Decathlon hebben ze er een nieuw merk voor ontwikkeld. De illustere naam ‘Van Rysel’ verwijst niet naar een wielerheld uit het verleden maar gewoon naar ‘afkomstig uit Rijsel’.

De reden voor dat nieuwe merk moet je volgens mij niet veel verder gaan zoeken dan marketing. Fietsen mag dan al een vrij toegankelijke bezigheid zijn, bij koersfietsen kom je al snel een vorm van snobisme tegen. Het cliché van te dikke mannen op lichte koersfietsen van ettelijke duizenden Euro’s is niet helemaal gelogen.

Een fiets van BTWIN past nu eenmaal niet in het plaatje van wie zichzelf op een fiets ook maar iet of wat serieus neemt. Van dat kneusjesimago willen ze bij Decathlon dus af. Daarom dus Van Rysel.

Is it good enough for what you pay?

Als je ziet hoe rigoureus het er bij Decathlon aan toegaat. Als je ziet hoe er nagedacht wordt over fietsen, dan kan het haast niet anders of er moeten degelijke fietsen van die band af rollen. Hun PNPL2.0 conceptfiets (helaas niet te koop) mag zelfs een beauty genoemd worden.

Dan blijft de vraag: zou ik iemand met een budget van pakweg € 2500 een fiets van Decathlon aanbevelen? Eerlijk gezegd: ik denk het niet. Op de tweehandsmarkt vindt je voor die prijs pareltjes en zelfs nieuw kan je bij pakweg Isaac of Ridley degelijke modellen vinden.

Het is een kwestie van intelligente marketing, vrees ik. Het ‘goedkope’ imago van Decathlon speelt hen vandaag nog parten in dit segment. Een highend fiets past dan weer niet in hun winkelconcept. Een catch22 die ze bij Van Rysel nog moeten oplossen, vrees ik.

Over de terugkeer van Flight Simulator en slow gaming

Het moet begin de jaren ’90 zijn geweest. Wij hadden thuis nog geen computer. Mijn neef had de commodore ’64 inmiddels ingeruild voor een 386 en samen speelden we Flight Simulator. We zetten het vliegtuig drie, vier kilometer boven de landingsbaan met de neus recht de hemel in en duwden dan op start.

Elke keer zette mijn neef het toestel feilloos aan de grond. Ik deed mijn best maar ik ben geen geboren piloot. Te roekeloze bewegingen deden me nu eens in zee, dan weer tegen de verkeerstoren knallen. Hij heeft inmiddels een écht pilotenbrevet en ik rij met de fiets.

De terugkeer van slow gaming?

Het was deze zweem van nostalgie die over mij voer toen ik ergens in het voorjaar de eerste berichten over een nieuwe Flight Simulator tegenkwam. Dat Microsoft in tijden van Fortniteseizoenen die sneller voorbij zijn dan een reis rond de wereld per dubbeldekker met een slow game als Flight Simulator aan komt zetten is op zijn minst opmerkelijk te noemen.

Samen met de real-time strategy games die naar wat ik lees toch opnieuw aan populariteit winnen, zou je haast van een trend durven spreken die tegen de wham-bam-instant-gratification mainstream ingaat.

Terugkeer van een oude dame

In elk geval: Flight Sim is terug en ziet er geweldig uit. De blokkendozen-appartementen van weleer zijn verdwenen en inmiddels is alles gebaseerd op satellietbeelden die ook voor bing maps worden gebruikt en alles is aan elkaar gelast met artificiële intelligentie van Azure.

Dertien jaar geleden is het dat de laatste versie van Flight Simulator uitkwam. In 2020 is het opnieuw zover. Dan kan er meer dan ooit realistisch gevlogen worden. Het zal nog niet meteen ten huize Seurinck zijn helaas. Want hier is gekozen voor een Playstation als gamingtoestel en Mac als werkpaard. Verdoeme toch. Als ik dat had geweten…

Published
Categorized as Gaming

Onder de indruk van Facebook

Ja. Ik vloek wel eens op Facebook. Als hun facturatiesysteem weer eens gek doet en we nu weer teveel, dan weer te weinig betaald hebben. Wanneer hun cijfers die je vorige maand uit hun systeem haalde niet dezelfde zijn als vandaag. Meestal echter ben ik zwaar onder de indruk.

Zo lees ik graag en religieus de developerblog van de blauwe brigade. Ze schrijven er artikels over wat er technisch achter Facebook zit. Het zijn vaak artikels die ik twee keer moet lezen om ze te begrijpen of -in best wel wat gevallen- te beseffen dat ik het wel honderd keer kan lezen maar dat het boven mijn technische pet is.

Er zit meer in een Facebook dan je denkt

Deze week ging het op die developerblog over Scribe. Het log server systeem van Facebook dat ooit open source was. Nu staat het als één van hun 307 open source projecten wat te verkommeren op de Facebook Githubpagina. Dat betekent echter niet dat Scribe dood en begraven is. Allerminst.

Nee, ik ga hier niet doen alsof ik technisch iets van log servers ken. Verder dan het feit dat dit ding een lijst van serveractiviteiten bijhoudt kom ik niet. Waar ik echter wel verstand van heb is cijfers en die geven ze er bij Facebook trots bij.

Meer data dan de Large Hadron Collider

Met de 2,7 miljard (slik) gebruikers die Facebook tegenwoordig maandelijks pretendeert te servicen, verwerkt dit systeem 2,5 inkomende en tot 7 uitgaande terabytes. Per seconde. Dat is de harde schijf van een gemiddelde MacBook gelezen in 0,1 seconde.

De Large Hadron Collider (dat ding waarmee ze elementaire deeltjes zoeken) in Zwitserland spuwt ter vergelijking 25 Gigabyte per seconde uit. Lang niet verkeerd natuurlijk en een pak minder gebruikers ook maar toch… Het verschil in logs alleen al is gigantisch.

En dan hebben we het nog niet over het echte video, foto en ander materiaal dat we tegenwoordig de planneet over verspreiden. Want dat zit hier allemaal nog niet in.

Lessen (in nederigheid)

Hoewel ik me in de verste verte niet kan voorstellen hoe je een log server zou beginnen programmeren, vind ik het lezen van die developerstukjes ongelofelijk boeiend. Net zoals ik graag weet hoe de motor van mijn auto werkt.

Niet omdat ik de ambitie heb ooit één sleutel naar die kar uit te steken. Of een server te programmeren. Wel omdat ik graag weet waar ik mee onderweg ben.

Range. Of een boek om mezelf te overtuigen van mijn eigen gelijk.

David Epstein begint ‘Range’ met het verhaal van Tiger Woods en Roger Federer. Woods werd van kindsbeen opgeleid om professioneel golfer te gaan worden. Hij kreeg op zijn drie de eerste stok in handen geduwd en de rest is geschiedenis. Federer was dan misschien in de wieg gelegd voor tennis (moeder was een coach) maar de jonge Roger heeft eerst voetbal gespeeld, geskied, gevoetbald. 

Federer en Woods zijn twee succesverhalen in de sport. Het eerste een schoolvoorbeeld van focus. Het tweede van wat dan ‘range’ wordt genoemd: de manier waarop generalisten het halen in een wereld die doordrongen is van specialisatie. 

Het boek zet zijn ontdekkingstocht van ‘breedte’ versus ‘specialisatie’ verder langs artiesten, nog meer sporters, ondernemers en professionals.  Waarbij de rode draad blijft: hoe breder je fundament, hoe hoger je kan bouwen. 

Specialiseren of verbreden

Toegegeven, de reden voor mij om het boek te lezen was omdat ik soms twijfel over mijn energiebesteding. Ik ben zelf zoals dat heet een beetje van alle markten thuis en dat is in mijn vak al een uitzondering, heb ik het gevoel. 

De mensen waarmee ik me professioneel vergelijk waren vroeger digitale marketeers. Toen werden ze social media specialisten. Dat klonk op den duur niet duidelijk meer genoeg en ontstonden er daarbinnen ook niches. 

Het is niets voor mij, dat specialiseren. Niet op professioneel vlak en niet op persoonlijk vlak. Gisteren wilde ik alles weten over het apolloprogramma, overmorgen lees ik de biografie van Van Gogh. Ik lees De Tijd en de sportkatern van Het Laatste Nieuws. 

De resultaten van verbreden

Epstein beschrijft hoe brede interesses artiesten hebben geïnspireerd om geweldige dingen te doen. Hij gaat daarbij niet uit de weg dat het ook risico’s inhoudt. Hij beschrijft hoe breedte er voor zorgde dat beeldhouwster Rachel Whiteread in hetzelfde jaar zowel de Turner Prize in de wacht sleepte als de ‘Anti-Turner Prize’ in de wacht sleepte. 

‘Range’ bespreekt biografieën en reportages die vaak een eenduidige lijn van punt A naar B aangeven maar dat het pad vaak meerdere zijwegen heeft. Wegen die niet altijd rechtstreeks hebben bijgedragen aan de weg. Soms zelfs op niets uitdraaien maar desalniettemin een niet te onderschatten rol spelen in het verhaal. 

Epstein noemt de durf om te verbreden in één van de hoofdstukken ‘the deliberate amateur’. De durf om af en toe te durven sukkelen. Dingen stuk maken en dan kijken waar het fout liep. Dat leerproces en de parallellen die je daarin ziet zijn volgens hem de beste leerschool.

Is ‘Range’ dan een soort zelfhulpboek? Nee. Is het een veroordeling van de drang naar specialisatie? Ook niet. Het is een boek dat aan de hand van onderzoek en anekdotiek probeert aan te tonen dat breedte een even valabel alternatief is. Altijd al geweten. 

Boekreview: Afspraak aan de meet

Fietsen is populair in onze contreien. Niet alleen als televisiesport maar ook om te doen. Ook managers, bedrijfsleiders en ondernemers hijsen zich op zon- en andere dagen wel eens strak in het pak. Niet met das, wel in lycra. 

Het is ook Luc Rademakers opgevallen, vrijetijdsfilosoof, bedrijfsstrateeg en auteur van het boek ‘Afspraak aan de meet’ dat als ondertitel ‘waarom topmanagers fietsen’ en met regenboogstrepen op de cover weinig aan de illusie van de inhoud overlaat. Rademakers interviewde voor het boek (half)bekende fietsers die het elk op hun manier gemaakt hebben zoals dat dan heet. 

Hans Bourlon, Bob Verbeeck en Karel Van Eetvelt sieren mee de cover maar binnenin komen onder meer ook Tom Van de Cruys, Alain Bernard en Johan Thijs aan het woord. Een mooi kransje mensen elk met een eigen (wieler)verhaal. De ene letterlijk een zondagsrijder, de andere fanatiek op lijf en materiaal, grenzen verleggend.

Tussen het begin van het boek en de meet ervan, dat 191 snel lezende pagina’s verder ligt, komen in drie delen en 18 hoofdstukken de verschillende onderdelen van een wielercarrière aan bod. Die wordt parallel gelegd aan het bestaan van een ondernemer-manager. 

Klinkt allemaal zwaar en gewichtig maar niet alleen leest het boek als een trein, het is op een luchtige manier ook interessant en het geeft te denken. 

Opvallend bijvoorbeeld om te lezen dat heel veel van die managers alleen fietsen. Dat in grote tegenstelling tot het tot credo verhoffen cliché dat fietsen het nieuwe golfen zou zijn. Het heeft natuurlijk met agenda’s en afspraken te maken maar het is herkenbaar. De eigen weg zoeken, de mogelijkheid hebben om de ochtend van vertrek de koers nog 180 graden te veranderen en vooral de nu-even-niet-rust. 

Daarnaast is het inspirerend om te lezen hoe metaforisch fietsen is voor het werkende leven. Je hoeft daar niet eens een zogenaamde topmanager voor te zijn. Dat vertrekken soms lastig is. Aankomen ook. Dat vrijheid beperkt is en hoe elementen als toeval en externe factoren soms meer invloed hebben dan autobiografieën soms laten doorschemeren. 

Een echt antwoord op de vraag ‘waarom topmanagers fietsen’ krijg je tijdens het boek fragmentarisch. Het antwoord daarop luidt samengevat: ‘daarom’. Want er zijn duizend redenen om een fiets van stal te halen en een end weg te gaan fietsen. Snel of traag, ver of kort, dat maakt niet uit.

Afspraak op vakantie. 

Disclaimer: dit boek werd me als recensiemateriaal toegestuurd. Hierbij werd geen afspraak gemaakt over de inhoud van deze blogpost.

Dvorak is niet alleen een componist

Op een dag was ik ergens aan het lezen over toetsenborden en werd ik herinnerd aan een toetsenbordindeling die Dvorak heet. Eertijds had ik me wel eens willens nillens verdiept in Qwerty omdat ik iets verkeerd had gepeuterd in DOS of een oude versie van Windows waardoor Azerty voor onbepaalde tijd verdwenen was. Maar Dvorak, nee, dat nooit.

Een beetje Dvorak geschiedenis

Dvorak, dat ontwikkeld is in de jaren ‘20 van de vorige eeuw, schijnt de meest efficiënte toetensbordlayout te zijn. Of toch alvast voor de Engelse taal. Waarom dat dan niet de algemeen geldende standaard is?

In de jaren ‘20 van de vorige eeuw gebruikten ze nog geen smartphones maar wel typemachines met hamertjes en kwam een ideale toetsenbordsetup in de problemen omdat de hamertjes dan in elkaar bleven haken.

Toen de hamertjes verdwenen, was iedereen het typen op Qwerty en Azerty al zo gewoon dat je al serieus mag zoeken voor je een winkel met Dvorak toetsenborden zou tegenkomen. Gelukkig bestaan er ook virtuele toetsenborden…

Dvorak installeren op je telefoon

Om updates en berichten te sturen met mijn Android telefoon gebruik ik nu al een paar jaar Swiftkey, een app die allerlei handigheden heeft zoals predictive tekst en taalondersteuning, en nog tig andere features die ik niet of nauwelijks gebruik.

Swiftkey ondersteunt dus ook Dvorak. Daarmee ging ik eind vorig jaar aan het experimenteren. Gewoon zo. Gelezen over Dvorak. Swiftkey genomen. Dvorak geselecteerd en proberen maar. Het klinkt eenvoudiger dan het is. Niet dat aanpassen van het toetsenbord. Wel het typen van het eerste bericht.

Je wordt je ineens heel hard bewust van het feit dat je nooit meer naar je vingers aan het kijken bent, wanneer je berichten aan het tikken bent. Je kijkt naar de woorden die verschijnen en of je geen shortcut kan nemen door de voorstelde woorden aan te tikken.

De flexibiliteit van hersenen

Het tikken van de eerste berichten verliep zo moeizaam dat ik op een gegeven moment mijn laptop openklapte om een bericht te sturen (lang leve WhatsApp web) in plaats van het af te werken op mijn telefoon.

Een andere keer bedacht ik tijdens het kijken van een wedstrijd op televisie een leuke tweet die nooit het daglicht zag want mijn vinding was toch niet zo subliem dat iemand anders er ook niet op kwam.

Het is even ongelofelijk hoe flexibel een stel hersenen is en hoe snel het in gewoontes komt te zitten. Vandaag, na enkele maanden Dvorak denk ik ongeveer even snel te tikken als voorheen. Wanneer ik dan al eens iets moet tikken op zo’n toetsenbord, moet ik altijd twee keer nadenken waar die letters ook alweer staan. Ook al tik ik dit en alles anders gewoon op een Macbook met Azerty toetsenbord.

Of het ook echt efficiënter typt, zo’n Dvorak toetsenbord, ik zou het zo op het zicht niet kunnen zeggen maar het feit dat je na zo’n korte tijd tikt alsof je nooit iets anders hebt gekend, ik ga me daar nog even over verbazen.

Het prisoners’ dilemma van Elon Musk

Er was deze week heel wat te doen over een emotioneel interview dat Elon Musk gaf aan de New York Times. Hij sprak er onder meer over zijn slaapmiddelengebruik en de persoonlijke tol die het leiden van Space X en Tesla hem brengen.


Onder meer Ariana Huffington (niet toevallig auteur van een boek over slaap) gaf de stilaan tanende ster aan het Tech-firmament wat ongevraagd advies: 120 uur werken per week is geen goed idee. Niet voor je lijf en niet voor je familie en ook niet voor de reden waarom je het doet: je werk lijdt onder teveel werk.  

Geen keuze om te kiezen

‘Geen keuze’ luidde het duidelijke antwoord van Musk: ‘jij denkt misschien dat ik die keuze heb maar die is er niet’. Musk blijft veelvoudig slapen op de kantoren van Tesla en verlaat de fabriek vaak dagen aan een stuk niet. Als je hem er op aanspreekt toont hij het korte lontje dat hij ook tijdens aandeelhoudervergaderingen al toonde. De hele fanbase valt hem dan meteen ook bij: niemand hoeft zich met Elon te moeien. Hij is immers het genie achter Tesla en Space X.

Dat Elon een talent heeft, daar valt nauwelijks over te redetwisten. Zijn ‘geen keuze’ is echter een mooi voorbeeld van het meervoudige prisoners’ dilemma waar iedereen willens nillens mee geconfronteerd wordt.

Wie niet zo bekend is met deze klassieker uit de speltheorie: bij het prisoners’ dilemma worden twee pikkedieven opgepakt voor dezelfde misdaad. Wanneer beide ontkennen heeft de politie echter niet genoeg bewijzen om hen aan de misdaad te linken. Geeft één van beide toe en ontkent de andere, dan kan degene die bekentenissen aflegt rekenen op strafvermindering. Gaan beide tot bekentenissen over, komen ze er beide met minder straf vanaf. 

Hoezo dan is wat Elon Musk meemaakt een meervoudig prisoners’ dilemma? Dat zit zo: eigenlijk is Musk één van de gevangenen en weet hij niet wat de andere gaat doen. In dit geval is de medegevangene een onbekende x waarvan hij denkt dat hij of zij het minder goed zou doen als hijzelf. Een persoonlijkheidsprobleem waar elke ondernemer wel eens last van heeft. 

Op zoek naar het evenwicht

Hoe is het dan zover kunnen komen dat Musk 120 uur op een week (dat is 17u per dag, 7 dagen per week) werkt? Daarvoor kunnen we terecht bij nobelprijswinnaar John Forbes Nash Jr. Hij is vooral vooral bekend van zijn speltheoretische inzicht dat zijn naam draagt: het Nash equilibrium. Ofte het Nash evenwicht in het algemeen beschaafd Nederlands. 

Het Nash equilibrium is een evenwichtsstaat waarnaar elke (zeker meervoudige) evenwichtsoefening naartoe vloeit in (niet-coöperatieve) spelen.Voor het prisoners’ dilemma geldt dat het optimale evenwicht voor beide dieven ‘toegeven’ de beste kansen biedt. Je komt er in 66% van de gevallen immers goedkoper vanaf dan wanneer je de lippen op elkaar houdt. 

Ook werk kent Nash evenwichten. Een onschuldig voorbeeld hiervan is de lunch: is het je ooit al opgevallen dat verschillende bedrijven verschillende lunchmomenten hebben? Sommige bedrijven eten om 12u stipt, anderen schuiven naar 12u15, nog anderen later. Op het gezette tijdstip staat één collega recht en de rest volgt: schaft.

Het Nash equilibrium doet ook minder onschuldige dingen. Salarissen van CEO’s naar ongekende hoogtes drijven bijvoorbeeld ondanks de niet heel hard stijgende innovatie- en productiviteitsgroei. Het zorgt er ook voor dat mensen hun vakantiedagen niet meer durven opnemen: want de persoon die het minst vakantie opneemt maakt misschien wel meer kans op de volgende promotie. Daaruit volgt logischerwijs: we kunnen niet anders. Want een promotie, want de collega’s zouden kunnen denken dat, want…, want… 

Zoiets moet zich ook in het hoofd van Musk hebben afgespeeld de voorbije jaren: op zoek naar zijn Nash evenwicht is hij uit het oog verloren dat er ook nog een leven is. Dat rust belangrijk is voor de creativiteit en de efficiëntie.

Hij kon niet anders… maar niet om de reden die hij zichzelf heeft ingepeperd.

Freelance life en het secretaresseprobleem

Als freelancer weet je dat het moment gaat komen maar als het komt, schrikt iedereen zich vermoedelijk een hoedje: er ontstond een gat in mijn agenda. Vroegere gaten hadden zich vrij snel opgevuld maar dit keer was het anders. Het bleef. Vanaf begin december zou ik twee dagen per week met mijn vingers moeten draaien.

Dus greep ik naar de grote middelen: ik mailde oude bekenden. Niets. Ik gooide mijn website om. Niets. Mijn naam verscheen in de juiste context in de krant. Niets. Ik deed een LinkedIn update: opnieuw twee dagen beschikbaar. Wat er toen gebeurde tart de verbeelding.

De voorbije twee weken liep ik van afspraak naar afspraak, als ik alle koffies had gedronken die mij werden aangeboden, had ik nauwelijks geslapen en tussendoor moest het werk dat moest gebeuren ook nog gebeuren…

Een omgekeerd secretaresseprobleem

Het gat-in-de-agenda-probleem werd alras vervangen door een omgekeerd secretaresseprobleem.

Mocht je dat niet kennen: het secretary problem zoals het in het Engels genderneutraler heet, is een vrij bekend vraagstuk uit de optimale stop theorie. Het gaat als volgt: je hebt een wachtkamer vol potentiële toekomstige secretaresses (m/v/x). Eén ervan moet je gaan aannemen. De uitdaging: na elk gesprek moet je meteen beslissen of je de kandidaat aanwerft, dan wel een nieuwe kandidaat binnen laat komen.

Vrij snel werd ik dus de aanwervende vennootschap en zat de wachtzaal vol met potentiële nieuwe klanten. Het ene aanbod al interessanter dan het andere. Ergens in de verte komt een offer you can’t refuse dat misschien als laatste de wachtkamer zal binnenstappen. Of misschien ook niet.

Het is niet mijn fort om ‘neen’ te zeggen. Ik geef dat eerlijk toe. Als ik mensen kan helpen, dan wil ik dat heel graag doen. Een werkweek is echter niet oneindig rekbaar en een gegeven ‘ja’ kan je in mijn hoofd niet twee weken later koudweg vervangen door een ‘nee’.

Uiteraard weet ik in theorie wat ik moet doen. De optimale stop theorie schuift 37 procent naar voor als optimaal stopmoment. Tegen de eerste voorstellen zeg ik dus ‘nee’ en van dan af ga ik voor het voorstel dat beter is dan de voorstellen die ik al heb gekregen. Simpel zat. Secretaresseprobleem omgelost.

Het leven is geen experiment

Alleen is het leven evenmin een laboratoriumexperiment als het een ponykamp is. Je kan tegen een potentiële klant moeilijk zeggen: bedankt voor de interesse maar ik pas voor de opdracht want de optimale stop theorie vertelt me dat dit nog niet het moment is…

Toegegeven, de stress van een berg op je agenda naar Q1 van volgend jaar, is een leukere stress dan die van een gat.

Over nudges en choice architecture: de Nobelprijslezing van Richard Thaler

In oktober werd bekend gemaakt dat Richard Thaler de Nobelprijs voor de Economie in ontvangst zou nemen. Al is de Nobelprijs voor economie geen échte Nobelprijs, Richard Thaler is op vijftien jaar tijd de zesde behavioural econoom die de prijs in ontvangst mag nemen.