(On)Guur

Gisteren was maandag en maandag is de dag van het woord van de week maar gisteren dus niet. Die toespraak van de koningin van de noorderburen kwam er even tussen. ‘Uitstel is geen afstel’ is niet voor niets een staande uitdrukking en dus is dinsdag de nieuwe maandag.

Eigenlijk zijn er twee woorden van de week. Guur en Onguur. Guur betekent winderig of koud (weer). Onguur betekent ‘ruw, gemeen’ of ‘luguber, sinister’. Dat alles volgens het vandale online woordenboek. Met andere woorden het woord guur en het woord onguur betekenen niet, zoals meestal het geval is wanneer de prefix ‘on’ in het spel is, het omgekeerde van elkaar.

Wel integendeel, al hebben beide woorden een andere denotatie, hun connotatie komen grotendeels op hetzelfde neer. Guur of onguur zijn beiden woorden met negatieve bijklanken. Het is donker en onaangenaam vochtig. Het is beangstigend. Het is bevreemdend en op hetzelfde moment heel hard en reëel.

Alleen de zelfstandige naamwoorden waar ze al dan niet expliciet mee verbonden zijn, verschillen van elkaar. Waar guur verbonden wordt met de weersomstandigheden, wordt onguur verbonden met mensen, groepen of geografische omstandigheden.

Ondanks de betekenis van de woorden hou ik er van om ze te gebruiken. Dat heeft vermoedelijk te maken met het g- en r-foneem dat geassocieerd wordt met ontlading. Denk maar aan het woord Godverdomme dat niet alleen door zijn betekenis maar zeker sinds de verbastering vooral op vocaal vlak een ontladend effect zou hebben.

(On)Guur, een mens wil het als betekenis zo weinig mogelijk tegenkomen maar als woord toch zo veel mogelijk gebruiken. In deze contradictie zit de schoonheid.