Autotweets are not a crime

Toen op die twunch zat ik bij Bruno. Die van de social media monitor enzo. Het gesprek kwam al eens op twitter en hoe we dat gebruiken en wat de VRT en de gazetten daarmee doen en of we het dat nu een goede zaak moeten vinden of niet.

Waarop Bruno er op een zeker moment uitflapt: “jij programmeert toch al je tweets”… Kuch. Ahum. Slik. Hij bedoelde het niet helemaal zo maar ik moest dat toch eens verduidelijken.

Er was eens een Barcamp in Antwerpen (er komt er binnenkort weer een trouwens) en daar heb ik dat gezegd. Plein public. Dat ik tweets programmeer. Het is niet de eerste vraag die ik daarover krijg. Het is de enige vraag die de mensen mij stellen over die presentatie toen. Het lijkt een beetje vies. Zelf heb ik er geen probleem mee.

Dat zit zo: ik probeer mijn RSS-feeds in één trok door te maken. Onder de dag heb ik een beperkt aantal leesmomenten. Het interessante nieuws selecteer ik en stuur ik door naar mijn twittervolgers. Zelf vind ik dat leuk om te doen en ik hoop dat dit één van de redenen is waarom een groot aantal mensen mij volgt en dat ook blijft doen.

Dan programmeer ik inderdaad. Met tweetdeck. Voor de rest van de dag, de komende voormiddag, whatever. Om niet op een uur tien links te hebben en daarna radiostilte. Maar hoeveel automatisatie kan je hebben?

Ooit is daar eens een heel slecht artikel (deze link wacht op de komst van het semantische web) over geschreven dat ik wel volg. De zin “automation stops being okay when it stands out and when it detracts from the humanness of your account” is met name interessant.

Op dagen vol meetings en van hot naar her, heb ik geen automatische tweets. Als ik les geef, zal je geen posts van mij zien. Als ik een lap tekst moet schrijven, zo met deadlines en alles, dan beperk ik mijn bijdrage op twitter tot een occasionele oneliner van iets wat ik produceer of een bron ofzo of een orakeltje. Iets wat ik kwijt moet.

Mijn automatische tweets verschijnen op tijdstippen waarop ik de reacties kan zien. Wanneer ik zelf actief ben en verspreid over de dag. Op die manier hebben wij leuke gesprekken, hoef ik niet steeds tweetdeck open te hebben. Maakt mij dat minder echt? Ik denk het niet.

Programmeren

Mijn dagen zijn zinnen. Mijn dagen zijn paragrafen, alinea’s. Mails. Tweets. Lessen. Woorden. Mijn dagen zijn verhalen die ik met een saus van tempowisselingen en leestekens en bijvoegelijke naamwoorden kan aankleden.

Ik vind dat leuk. Omdat verhalen niet helemaal moeten kloppen. Omdat je een alinea kan schrappen of een zin toevoegen. De structuur ligt vast, de aankleding kan veranderen. Als de structuur niet deugt, bouw je gewoon een nieuwe.

Maar soms, Heel soms, zou ik een programmeur willen zijn. Een developer. Ik zou mezelf ninja noemen of wizard of eender welke term die mij onwerelds zou kunnen laten uitschijnen. Mijn code zou kloppen. Geen regel teveel. Geen overbodig gewicht enkele grapjes voor mijn collega’s niet te na gesproken.

Je kan het leren zegt men. Een podcast zou voldoende kunnen zijn. Maar een cursus zal niet volstaan. Het probleem zit dieper bij mij geloof ik. Ik ben niet zo van de juiste code. Niet van het lange schrijven en dan compilen en dan kijken of het werkt. Geef mij een wit blad en ik vertel je een verhaal over wat je wil. Het resultaat even afhankelijk van mijn gemoed dan van jouw vraag.

Mensen die het juiste verhaal van een applicatie zomaar kunnen vertellen, dat vind ik wat hebben. Zij zijn echte raconteurs. Soms zou ik het juiste verhaal willen vertellen. Met if en and en or. En gebruiksschema’s en doelstellingen. Een open einde voor de gebruiker. Alles voorzien.
Dat is mijn taak of beroep niet. Ik kan daar alleen naar kijken en een verhaal over schrijven.