Categorieën
Social Media

Over rupsigheid en sociale netwerken

Laatst zag ik in mijn Facebookfeed een vriend die op Dailymotion een video had bekeken. De frictionless sharing van de Facebookapp had gedaan wat je van een frictionless sharing app mag verwachten.

Zo verscheen de still van twee niet onknappe jongedames met plannen ineens tussen de gebruikelijke augmented reality van altijd lachende gezichten en grappige updates die je op Facebook aantreft.

Je hoeft niet veel van het internet af te weten om te weten dat de jongedames niet eens een pars pro toto zijn voor wat er bekeken kan (en dus zal) bekeken worden op de parkings langs de kant van de informatiesnelweg.

Toch is het ineens en heel snel socially awkward om te zien hoe via het frictionless sharen van sites te bekijken is wat veel mensen écht kijken en lezen. Dat je ziet dat sensationele titels weldegelijk een aantrekkingskracht uitoefenen, ook op mensen die daar al eens opmerkingen over willen maken, dat er heus ook nog wat anders wordt bekeken dan TED-lezingen.

O tempora o mores? Gaat de wereld vergaan? Zal de jeugd…? Uiteraard niet. Vandaag zal alleen op individueel niveau aantikken wat we op een geagregeerd niveau al lang weten. Krantensites, ook die van kwaliteitskranten, halen hun pageviews niet uit de doorwrochten nieuwsberichten. Het was pas vorig jaar dat sociaal netwerken de voornaamste tijdsbesteding werd op het internet. Met dank aan de grootmoeders en de digitale fotoalbums met kleinkinderen.

Automatisch delen is a bitch maar ik ben positief. Het zal niet bij automatisch delen blijven. Dat is een overgangsfase waar sociale netwerksites ons door zullen duwen. Het voelt vandaag vreemd om die twee jongedames hun plannen via nonverbale communicatie aan elkaar duidelijk te zien maken. Helemaal out of context, knal in een timeline en je voelt dat dit niet de bedoeling kan zijn geweest. Het voelt als niet-banaal terwijl het dat wel zou moeten zijn. Het verborgene is ineens zichtbaar en je kan niet anders dan kijken.

Op de trein open ik Instagram. Wie is waar wat aan het doen. Vrienden. Mensen die ik van Twitter ken. Ik zie kunstige foto’s van industriële panden. Bart is op reis. Er is koffie. Er zijn mooiemeisjesbenen in de zon en een zwierige zomerjurk van een vriendin. Er zijn mannen in niet veel meer dan een barbequeschort met commentaar waar ik me vragen bij stel. Er is de foto van het meisje met tattoos en een neusring die een vriend heeft geliked.

De site waarvan de foto komt is me bekend. Laatst las ik er een artikel over. Hun vrouwvriendelijke imago kwam ter discussie te staan. Aan de andere kant kunnen ze de aanvragen om model te worden nauwelijks bijhouden. Ze gebruiken instagram als een freemiummodel. Wie meer wil zien dan de uitdagende blik en een blote buik, moet betalen. Er zit niemand naast me op deze trein maar ik vraag me af wat ik gezegd zou hebben als die er wel was geweest en die zou dan mee hebben gekeken.

De grenzen van het publieke en het private zijn al langer aan het eroderen. Het is stellig mijn indruk dat er ook een openheid aan het ontstaan is waarmee we kunnen zeggen dat het mooiste stel benen ter wereld je pad zijn gekruist en dat je die zomers geklede jongedame een like geeft, niet omwille van de kwaliteit van de foto maar omwille van het gefotografeerde.

Ik twijfel. Over imago en zeden. Kan ik dit doen? Zal ik het meisje van de blote benen anders bekijken? Durf ik op like klikken? Wat zal zij denken en wat mijn vrienden? Zou ik dat ook nog doen als mijn lief een instagramaccount had? Misschien zoek ik er teveel achter, denk ik. Ik klik op like bij de mooiemeisjesbenen. Daarna open ik Evernote en schrijf ik een blogpost.

Categorieën
Maatschappij

De parabel van de bouwgrond (of het potentiële nut van sociale media)

Stel u een wereld voor waar maar twee steden zijn. De twee steden zijn perfect gelijk, zowel naar omvang als naar structuur. Zelfs de demografische samenstelling van de bevolking, de sociale structuur en de inrichting van de macht zijn nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Elke vreemdeling die zich op het lege stuk bouwgrond in het midden van één van de twee steden zou bevinden zou nauwelijks kunnen zeggen in welke stad hij zich bevindt.

Beide steden hebben een intern communicatiesysteem maar tussen de steden is er niet in het minst contact. Je zou kunnen zeggen dat ze nauwelijks notie van elkaars bestaan hebben. Hoewel het nieuws uit de ene stad wel langzaam doorsijpelt bij de andere stad is de interesse voor de anderen beperkt.

Als bij toeval worden in beide steden verkiezingen geörganiseerd op hetzelfde moment. De inzet: het braakliggend terrein in het midden van elke stad. De meningen binnen de steden zijn verdeeld. De plannen variëren van niets doen tot een groots flatgebouw, van een park tot een museum, van torenflat tot zwembad. Sommigen houden vast aan de bestaande toestand.

De beslissing valt. In de eerste stad is er een meerderheid voor het braak laten liggen van het terrein. Er komen wat bomen om het geheel op te fleuren. Een bloemenperk ook hier en daar en paadjes om het dwarsen van het terrein te vergemakkelijken. Verder blijft het een lege plek.

Mensen steken het plein over, zeggen elkaar goeiedag, doen een praatje en gaan elk hun weg. Er zijn immers geen bankjes om even te toeven. Veel mensen merken niet dat er iets aan het plein is veranderd. Ze wonen immers aan de andere kant van de stad en verder dan de winkelstraten van het centrum komen ze niet.

Het plein in het midden van de stad verwordt tot een grote oversteekplek. Een kruispunt waar mensen als mieren door elkaar krioelen, elk beladen met zijn eigen last.

De andere stad besluit tot bouwen. Voor het eerst in de geschiedenis verschillen de steden significant van elkaar. Er komt een museum voor actualiteit. De plek, zo spreken de plannen, moet meer zijn dan zomaar een museum. Het moet een ontmoetingsplaats zijn voor mensen. Een plek waar verschillen elkaar kunnen ontmoeten, waar gelijkgestemden met gelijkgestemden kunnen samenzijn.

“Het museum”, zo spreekt de directeur die is aangesteld bij de opening, “moet de burgers bij elkaar brengen, het moet een aantrekkingspool zijn in het midden van de stad, een plaats waar iedereen zichzelf kan zijn en kan terugvinden”.

De woorden vallen niet in dovemansoren. Het publiek is razend enthousiast over de steeds veranderende tentoonstellingen. Al snel worden bijeenkomsten georganiseerd voor muzikanten en amateurfilosofen, wielertoeristen uit heel de stad verzamelen op zondagmorgen voor het plein. Mensen die ver van elkaar wonen vinden elkaar in het midden van de stad.

Dat, beste lezer, kan het nut van sociale media zijn vandaag.