Club Intermezzo (werktitel)

Mijn derde verhaal in de Nanowrimocyclus die ik met Anne, Vicky en Gudrun schrijf, heeft als werktitel ‘Club Intermezzo’ meegekregen. Werktitel omdat het verhaal nog niet helemaal staat zoals het er staat.

Het is een huis met heel veel kamers geworden maar met veel verloren ruimte en een kast kan je er door de schuine muren niet makkelijk in kwijt. Een bouwwerk met meer lagen dan er eigenlijk in hadden gekund. Jammergenoeg is een deel van Nanowrimo ook loslaten en meer tijd dan dit heb ik momenteel niet te spenderen. Ik post het hier dus for what it’s worth.

Wat voorafging (of toch min of meer) leest u op everythingisastory.

Club Intermezzo

Het beloofde weer één van die avonden te worden. Na the usual suspects was een groep tieners en een groep meiden bij de club komen aanzetten. Eén van hen voorzien van oren en een staartje zoals een playboy bunny. Dirk De Vos, buitenwipper van Club Intermezzo, wist hoe laat het was.

Vanavond zouden in de Intermezzo cocktails worden gedronken en de combinatie met het goedje dat daarbinnen rondging, zou er vóór drie uur voor zorgen dat Dirk zijn GSM ter hand zou moeten nemen en 112 zou indrukken. Ook dat was een terugkerend fenomeen.

Sinds de club een jaar geleden in het stadsmagazine haar opwachting had gemaakt als hipste club van de stad, was het hier elke zaterdag aanschuiven. Het publiek van hippe twintigers en vroege dertigers vond elkaar hier. Maar het zou niet lang meer duren of de plaats zou zich verleggen.

Dirk was nu zes jaar buitenwipper en had plaatsen die avond aan avond volliepen even snel weer zien leeglopen om hetzelfde publiek bij zijn volgende werkgever opnieuw aan te treffen. Na de Local en de Bar Antique was de Au plage de Paris gekomen en daarna dus de Intermezzo. Steeds met nieuwe eigenaars, nieuwe kaarten, nieuwe verwachtingen.

Het was de natuurlijke circle of life van de hippe club: beginnend als bar met beperkt publiek, een overmaatse rookmachine om de te grote ruimte kunstmatig te vullen, een kaart met naast wijn en bier enkele cocktails. Daarna kwam er een betere DJ en samen met hem de pioniers die de weg zouden bereiden. Vervolgens begon de naam van de nieuwe plek door de stad te gonzen en vonden meer en meer mensen de weg naar binnen.

Samen met hen kwam Dirk. De voorhoede wil immers zo lang mogelijk voorhoede blijven en dus dient ongenode gasten de deur te worden gewezen, zo niet preventief, dan toch sanctionerend als er iets misloopt. Gasten die één keer werden buitengezet, moesten er bij Dirk niet op rekenen later nog binnen te komen. Tenzij ze natuurlijk bij de voorhoede hoorden of hun excuses aanboden middels een briefje van twintig of meer. Zo royaal was zijn gage nu ook weer niet dat hij niet gevoelig was voor een bijverdienste.

Eens de zee bevolkt is met vissen, komen ook de haaien en de aaseters. Het was Dirks taak de onverlaten buiten te houden, maar telkens weer was zijn net niet fijnmazig genoeg. Dan begon het binnen te gonzen en vonden steeds meer geruchten de weg van binnen naar buiten. Het was voor Dirk het teken om naar zijn contact op het gemeentehuis te bellen. Toevallig nieuwe clubs met voldoende capaciteit bij gekomen de laatste tijd?

Daarna zou hij langsgaan en zijn kaartje achterlaten. Nu hadden ze hem immers nog niet nodig maar later misschien, in de toekomst? Zo wedde hij op drie, vier, vijf paarden en telkens weer zou er één als eerste bellen.

Dark White zou de volgende place to be worden, dat voelde hij toen hij er de eerste keer op donderdag kwam. Die avond was de Intermezzo gesloten en Dirk maakte van de gelegenheid gebruik om er een kijkje te gaan nemen. De Voorhoede, die vooral bestond uit studenten die in het weekend hockey spelen, was er al.

Hij spotte Maurice, de ex-uitbater van de Local, achter de bar en vermoedde dat Dark White zijn nieuwe cash cow zou worden. Dirk gaf hem een hand, bestelde een J&B on the rocks en kreeg er een van de zaak. Dirk gaf Maurice zijn kaartje en knipoogde. “Ik geloof erin”, riep hij. De DJ haalde de beats uit de muziek en de drop werd als een bevrijding van boze geesten onthaald.

Dat de Intermezzo geen lang leven meer beschoren zou zijn, was hem intussen wel duidelijk. Eens de voorhoede een nieuwe plek heeft uitgekozen is het een kwestie van tijd. Tot zolang het duurde zou hij echter zijn plicht aan de deur van de Intermezzo vervullen. Al te opvallende figuren haalde hij eruit, avondlijke ruzies op alcohol en straffer spul werden door hem met diplomatie als het kon, met harde hand als het moest, bijgelegd.

Het was koud geworden, merkte Dirk op terwijl hij zijn zoveelste sigaret tussen de lippen duwde, zijn zippo aanstreek en met een diepe haal het vuur in de sigaret trok. Intussen verlieten de eerste mensen de Intermezzo. Het was nog maar twee uur. Een teken dat het bergaf ging. Niet zozeer omwille van het vertrekken maar omwille van de jeugdige leeftijd van de vertrekkers. Ook voor Dirk was het geen gunstige evolutie. Jonge mensen geven geen fooien, die drinken hun centen erdoor. Een ander teken waren de vaders die hun dochters op kwamen halen voor de deur. De tijd om een nieuwe plek te zoeken was echt wel aangebroken.

Dirk ging door het adresboek van zijn GSM alsof hij dan en daar iemand zou bellen. Het gaf hem gewoon het gevoel dat hij iets deed om zijn toekomst te verzekeren.

Dat had hij tien jaar geleden niet kunnen doen. Het was 1999 en na 25 jaar trouwe dienst in de autofabriek was Dirk aan de deur gezet. Hij was er in 1974 op zijn 16de begonnen. Van school had hij nooit een hoge pet op gehad, hij was muzikaal aangelegd maar daarvan zijn beroep maken had zijn moeder niet zien zitten. Of hij niet voldoende had aan zijn tuba in de fanfare? Zijn vader had zich er niet over uitgesproken. Niet omdat hij er geen mening over had, maar omdat zijn mening ook zonder vragen wel bekend was. Het was een stilzwijgend ‘Nuts’.

Van zijn eerste loon had hij zich een gitaar gekocht, van zijn tweede loon een tweedehands effectenpedaal, zijn derde loon had hij in een pickup en platen gestoken. Daarna moest hij een deel van zijn loon afstaan. “Voor kost en inwoon, anders vergooi je het aan die djingeldjangel van u”, had zijn vader gezegd, “uw broer, die houdt van de Beatles, maar dit is echt geen muziek meer.”

Dirks platencollectie breidde zich maand na maand uit met platen van Led Zepplin, Pink Floyd, The Who. Hoe psychedelischer de muziek, hoe meer hij er van hield. Eén plaat nam een bijzondere plaats voor hem in: Wish you were here van Pink Floyd. Zijn favoriete band. Hij kocht haar meteen na de uitgave in Nederland, daar fietste hij dan naartoe omdat de plaat daar enkele dagen vroeger in de rekken lag.

Dirk haalde de hoes met de brandende man uit de zwarte plastic omslag, haalde de plaat voorzichtig uit de hoes, legde haar op de pioneer platenspeler en zette de naald zorgvuldig in de wachtgroef. Het geluid van een orgel zwol aan en werd bijgetreden door een tweede. Vage natuurgeluiden vulden in. Een saxofoon blies enkele noten. Steeds hoger. Waterdruppels. Een gitaar. Nog steeds het orgel. Hoger nu. Verder weg. Bijna stilte. Drie noten van de vervormde gitaar. Weer drie. Nog drie. Drums. Basgitaar. Een nieuwe cyclus van opbouwen. Een gitaarsolo. Een schijnbaar eindeloze sfeerzettende intro. Dan pas een stem. Remember when you were young.

Dirk hoorde zingen over jeugd, over vrijheid, over de platenindustrie. Hij hoorde alluderen op drugs. Hij hoorde zingen over zijn grote idool Syd Barret die wegens overmatig LCD-gebruik uit de band was gezet en hoe hard de andere bandleden hem misten. Niet Syd als persoon maar Syd als gedachte vulde de plaat. Dirk wilde dat hij slachtoffer was geworden van zijn succes. Dat hij nu achterover zou leunen in de luxe fauteuil met een sigaar in de mond, glas whiskey binnen handbereik, trip onder de tong. Genietend van de mastertape van zijn eigen plaat.

Wat hij hoorde, was het uitsterven van een saxofoon en het aanzwellen van een pompend geluid. Een bel. Lawaai. Steeds sneller. Een zoemer. Een oscillerende toon. Een akoestische gitaar als contrast. Welcome my son, welcome to the machine.

Dirk vereenzelvigde zich met deze tekst. Misschien was het de rebellie van de jeugd, misschien was het de herkenbaarheid. Misschien was het de toepasbaarheid op zijn leven. De pickup bleef hangen in de eindeloze groef aan het einde van de plaat. Dirk bleef zitten en dacht na. Hij dacht over het werk. Het eindeloze werk aan de eindeloze band die eindeloze auto’s in elkaar zette.

Hij ontfermde zich in die dagen over de zetels. Later zou hij doorgroeien naar stuurstangen en nog later zou hij motoren monteren. Niet veel later zou hij in een spreadsheet aan de verkeerde kant van de kosten-batenlijn vallen. Hij kreeg zijn gouden horloge van 25 jaar dienst en wat men toen een gouden handdruk noemde. De handdruk die hij kreeg was er één van ijzer. Koud en zonder waarde. Zijn nieuwe chef, een ingenieur die net van school was afgegaan, zei dat het hem speet en dat er misschien…

Dirk had hem onderbroken. Hij wenste hem succes, keerde hem de rug toe en was buiten gestapt. Hij was wel eens eerder afwezig geweest. Ook toen was hij niet onmisbaar gebleken. Er was nooit één auto minder gemaakt. Hij had lange tijd geloofd dat hij een belangrijke schakel was. Die illusie was hij al langer kwijt. Wanneer er in de beginjaren iemand ziek werd, schakelden ze de band een fractie trager. Dan zette hij zowel de bestuurderszetel als de passagierszetel erin. Hij werkte zich een shift lang in het zweet en kreeg een premie. “Voor moed en zelfopoffering”, zei Daniël, zijn toenmalige chef, wanneer hij hem met een knipoog een enveloppe toestopte.

De laatste jaren kwamen er interimmers maar alleen wanneer iemand langer dan twee weken afwezig was. Daarna kwamen ze ook . Substitutiearbeiders hadden de vakbonden gezegd, geroepen ook, maar na een vergadering met de directie werd het beeld bijgesteld en heette het een perceptiefout te zijn om te denken dat de rechten van de arbeiders geschaad zouden worden. Ook Dirk werd vervangen door een wegwerparbeider. James was Ier en had zich ingeschreven in het interimkantoor. Dirk leidde hem tijdens zijn laatste week in dienst op tot installateur van kofferdeksels.

Na zijn laatste werkdag ging hij naar huis en las de kranten. Gitaar speelde hij al lang niet meer. Hij ging op café ook. Steeds meer eigenlijk. Zo had hij iets te doen. Zo verlegde hij ook zijn levenspatroon van de dag naar de nacht. In de autofabriek had hij steeds de vroege ploeg gedaan. Het was alsof hij in Australië ging leven zonder zich te verplaatsten.

Hij zag andere mensen, leerde de andere kant van zijn eigen wereld kennen. Hij leerde dronkaards kennen en cafébazen en haalde zijn brevet om buitenwipper te worden. Hij overwoog even in dienst te gaan bij een firma maar het idee dat hij zich opnieuw in een uniform zou moeten hijsen was hem te veel. Ook al was het dan een kostuum met das. Hij was 25 jaar een machineonderdeel geweest, het was tijd voor wat vrijheid.

Dat was het wat Dirk in de jeugd die hij ontmoette, bewonderde. Het streven naar individualiteit. Ook al wist hij dat de individualiteit dan een door marketing opgelegde consumptiestimulator was.

Tussen vier en vijf hield Dirk altijd even een rustpauze. Dan verving Paolo, een stevig gebouwde garçon hem voor een drink- en plaspauze. Paolo bracht hem een Red Bull, samen rookten ze een sigaret. “Even de sanitaire voorzieningen checken”, zei Dirk dan. Paolo rechtte de borst, liet zijn armen iets van zijn heupen loskomen en ademde diep in. Dan prikte Dirk met zijn vinger even in zijn buik. “Blijven trainen”, en weg was hij.

Wanneer Dirk het rookgordijn dat eens dansvloer heette bereikte, trof hem het pulserende geluid dat door de boxen kwam. De beat maakte geen schijn van kans, daarvoor schuurde en klaagde de middentoon te hard. De dansvloer vulde zich in snel tempo opnieuw alsof de DJ een lokmiddel in zijn rookmachine had gegoten.

Armen zwiepten in de lucht, Dirk voelde zichzelf stilstaan, luisterend naar klanken die zo vreemd en zo veraf waren maar toch zo herkenbaar. Hij hoorde de stem van zijn jeugd zingen:

What did you dream? It’s alright we told you what to dream. You dreamed of a big star, he played a mean guitar, he always ate in the Steak Bar. He loved to drive in his Jaguar. So welcome to the machine.

Hij zag de vrijgevochten jongeren waarvoor hij ze steeds had gehouden een lofzang zingen op uniformisering. Hij zag de usual suspects naar hem staan lachen. Ze riepen: “dansen, Dirk, dansen!”.

In een vlaag zag hij alle jongeren die White Saturday hadden bijgewoond. A party in White had de affiche gezegd. Zo was het ook gegaan, Dirk had de opdracht gekregen iedereen die niet minstens twee witte kledingstukken aanhad, niet binnen te laten. Ook toen had hij in zijn pauze tussen vier en vijf de jongeren bekeken. Zich verwonderd over hun uniformen. Hij had het er benauwd van gekregen.

Nu hoorde hij zijn muziek en zag hen erop dansen. Een surrealistisch beeld dat al snel tot een kaleidoscoop verwerd. De spots van de dansvloer. De beat. Die stem, steeds weer die stem. Drop that beat! Wit. Overal wit.

Paolo drukte 112 en hoorde de telefoon drie, vier, vijf keer overgaan. “Paolo, van Club Intermezzo, kan u een ambulance sturen? Geen drugs, dat denk ik niet. Het is onze portier.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.