Categories
Uncategorized

Het eerste

Zo, mijn eerste verhaal voor NaMoWriMo is af. Het is geen makkelijke bevalling geworden. We hadden een tiental dagen terug al samen gezeten om wat af te stemmen en mijn onderwerp was toen komen opborrelen. In tien dagen kan je best wat bij elkaar denken, zo blijkt.

Kortom: om binnen mijn limiet van 2200 woorden te blijven heb ik enkele scènes moeten schrappen, inkorten en wat herwerken. Ik geloof niet dat het verhaal helemaal zal blijven staan zoals het er nu staat maar de 2160 woorden voor mijn aandeel zijn binnen.

Het is mijn eerste fictieverhaal ooit. Uw commentaar is dus zeker welkom. Als je rechtsboven deze pagina je mailadres opgeeft, krijg je dit verhaal en de volgende ook per mail bezorgd. Of er is de RSS-feed natuurlijk.

Dagmar

Het is moeilijk te begrijpen, ik weet het. De plaats, de manier waarop ik hier nu zit. De manier waarop ik hier gekomen ben. De plaats die ik voor u inneem. Een ondergeschikte. Spreekwoordelijk geknield, en terecht, dat zal ik niet ontkennen, voor de arm van de wet. Voor een buitenstaander zoals u is het haast niet te bevatten. Ik ben onopvallend. Ik bezit een appartement, een goede muziekinstallatie waarop ik mijn platen van Bach kan spelen, een auto, een baan, collega’s. Wat gebeurd is, is gebeurd, zou ik kunnen zeggen, maar dat vertelde ik u al toen u mij hier binnenbracht. Ik kan het uitleggen. Niet alles maar toch ten dele.

Het begint, denk ik, allemaal bij de geboorte. In zekere zin begint bij ieder mens alles bij de geboorte, maar mijn geboorte was bijzonder. Misschien begon het bij mij zelfs eerder. Ik ben wat men noemt een ongelukje. Een ongeluk waar mijn moeder niet omheen kon, waardoor ze mij bij gebrek aan medeleven of inspiratie het leven schonk. Dat heb ik nooit voor iemand verborgen willen houden. Wie mijn moeder was of wie ze is, heb ik nooit geweten. Niet dat ik het, zoveel jaar later, nog te weten wil komen, maar ik vind dat u het moet weten. Mijn moeder heeft me na de geboorte nog even in de armen genomen, stel ik me voor, mij een kus gegeven, een kruisje op het voorhoofd misschien, zoals de nonnen dat in het opvanghuis deden. Misschien heeft ze mij de borst gegeven. Nog even getwijfeld. Enkele dagen later heeft ze zichzelf uit het ziekenhuis ontslagen. Ik sliep. Niemand hield haar tegen. Zij is verdwenen, ik ben gebleven.

Ik ben altijd gebleven. Hoewel ik geen enkele band met deze stad, dit land of dit werelddeel heb, ben ik nooit verhuisd. Niet met de mensen die er wonen, niet met de chaos die er heerst. Ooit was ik in Amerika, New York. Ik had er veel van verwacht. De stratenplannen in dambordpatroon deden rust en orde vermoeden. Maar stratenplannen tonen niet alles. Stratenplannen, hoe dambordvormig ook, tonen niet de scheeftrekkingen en de aberraties. Ze tonen niet het vuil dat zich zowel buiten als binnen afspeelt. Ik kwam terug en besloot nooit terug te gaan. Grootsteden hebben last van algemene amnesie. Achter de snelle veranderingen schuilt de angst voor het heden. Het verleden wordt in musea weggestopt, maar buiten laten enkel de betonboeren van zich horen. Elke straat wordt gebouwd, afgebroken en terug opgebouwd. Elke keer hoger, schijnbaar performanter. Daarmee wordt het geheugen van de stad, het geheugen van de mensen die er wonen, uitgewist. Een schijnbaar nieuw begin, belast met wat uit het verleden is overgebleven. Niemand weet nog waar hij is. Chaos. Elke herinnering een hallucinatie, weggestopt in weer een nieuw gebouw dat de slachtoffers of de kunstenaars of de geschiedenis moet bewaren.

Mijn ideale stad heeft een dambordpatroon. Alle huizen dateren uit één bouwjaar. Mijn ideaal ligt verscholen in de abstractie van cijfers en lijnen. De meetkunde is de grootste van de kunsten. Mondriaan en Schoonhoven. Schoonhoven mist kleur maar heeft meer regelmaat. Ik ben niet triest, moet u weten. Het leven heeft kleur nodig. Niet zoals nu. Vandaag wil iedereen kleur hebben, beroemd zijn, opvallen. Iedereen is zogenaamd belangrijk. Ik ben realist. Mij ziet niemand staan en dat geldt voor de meerderheid van de bevolking. Alleen op de plekken waar kleur hoort, mag kleur zijn. Al het andere leidt af. Honderd witte mensen, tien in kleur. Het kan niet zo moeilijk zijn om mensen in te delen volgens categorieën, hen te labelen met een kleur. Met rechte lijnen tussen hen. Zorgvuldig gekozen raakpunten en, slechts op enkele plekken, kleur. Ik ben een wit vlak, zij is het rode. Twee vlakken, zo op het doek aangebracht dat ze verband met elkaar houden. Zo ver van elkaar. Zorgvuldig van elkaar gescheiden door het kruispunt van twee zwarte lijnen.

Ik heb geprobeerd orde in het leven te brengen. Als je de wereld wil veranderen, moet je bij jezelf beginnen. Orde brengt rust en rust brengt rijkdom van de geest. Wanneer ik ‘s morgens opsta, weet ik al hoe mijn dag eruit zal zien. Ontbijt, uit werken, thuiskomen, eten, wandelen, slapen. Ik werk in stukjes van 25 minuten aan één project. Daarna neem ik 5 minuten pauze en ga ik verder of neem ik iets anders ter hand. De telefoon leg ik ‘s morgens van de haak. De deur van mijn kantoor heeft een bordje: “Hier werkt men, niet storen”. Ik heb het er niet zelf gehangen. Een collega deed dat nadat ik hem ei zo na in de haren was gevlogen toen hij met één van zijn domme vragen kwam aanzetten.

Wat denkt u nu over mij? Dat ik straks een ongelukkige jeugd zal pleiten als het zover komt? Dat ik mijn verantwoordelijkheid in deze zaak zal proberen te ontlopen? Dat een psychiater mij straks ontoerekeningsvatbaar zal verklaren? U dwaalt. Geen mens zal mijn verhaal geloven. Als ik het zelf al geloof. Mijn leven is het scenario voor een B-film, waarvan de scènes kraken in hun voegen maar elkaar rechthouden zoals de oude huizen in onze stad. Wat ik heb geprobeerd, past vandaag nog niet, maar zal eens de regel zijn. Mijn experiment was tot mislukken gedoemd.

Achttien jaar ben ik onder de vleugels van de kerk gebleven. Eerst in het weeshuis bij de nonnen, daarna op het internaat bij de paters. Tot ik met een beurs aan de universiteit kon gaan studeren. Eén van de paters, onze leraar wiskunde, had dat geregeld. Hij liet me formulieren ondertekenen en nam de foto’s die ik later, vastgemaakt aan een officieel papier met handtekeningen en een stempel erop, kreeg teruggestuurd. “Jij hebt talent voor cijfers, mijn zoon”, vertelde hij mij toen ik samen met hem de les buitenkwam. We wandelden samen door de gang en discussieerden over de toepasbaarheid van kansberekening bij zeldzame gebeurtenissen. Hij legde zijn hand op mijn schouder en duwde er hard tegen, als wou hij mij daar ter plaatse een fysieke zet voor het leven geven.

Het hielp. Ik haalde een diploma. Een doctoraat. Ik vond een baan en ben ondanks besparingsrondes kunnen blijven zitten. Ook al krijg ik elk jaar weer tijdens het evaluatiegesprek bij mij directe chef te horen dat ik mij socialer op moet stellen. Dat ik open moet zijn tegenover collega’s, dat ik mijn collega’s niet moet buiten jagen als ze mij een vraag komen stellen wanneer ze vast zijn komen te zitten. Misschien dat ze mij na dit voorval ontslaan; ik zou hen begrijpen en niemand is onvervangbaar.

U wordt ongeduldig. Ik voel het. U heeft zichzelf niet meer helemaal onder controle. Daar schrik ik niet van. Het is weinigen gegeven om zich onder verschillende omstandigheden te kunnen bewegen. Volgens mij bent u ook een wit vlak, maar gelooft u zelf dat u blauw bent. Dat uw uniform afstraalt op uw persoonlijkheid. Ik kom er wel, maar u moet het verhaal helemaal horen, zodat u het neer kan schrijven in verslagen en aktes die later gewikkeld in bruin papier op het bureau van de rechter zullen belanden.

Samen met mijn baan vond ik een verblijf. Een veel te duur appartement in het centrum van onze stad in een behoorlijk drukke straat met bomen die nog maar net waren aangeplant. De huisbazin woont op het gelijkvloers, daarboven woon ik, een studente betrok toen de twee bovenste verdiepingen van het oude herenhuis. Intussen woont er een koppel. Mijn verblijf is eng en naargeestig. Uit mijn voorkamer kijk ik niet verder dan de huizen aan de overkant. Een oneindige leegte van vijftien meter. Met daarachter meer van dat. Het uitzicht achteraan is erger. Een aaneenschakeling van huizen met hun achterliggende koterijen. In de winter een uitgestorven woestenij. In de zomers worden door de jonge gezinnen, die de stad er koste wat het kost wil laten wonen, zogenaamde gardenparty’s georganiseerd. Over het interieur hoef ik u niet te vertellen, dat heeft u gezien toen u zo nodig die huiszoeking moest doen, die heel mijn appartement tot een varkensstal heeft gemaakt.

Ondanks de oneindige leegte die mij omringt, ben ik blijven dromen van mijn ideale vrouw. Op het werk hebben we computers waarmee we gezichten digitaal kunnen laten samenvloeien. Wist u dat de meeste mensen aan een gemiddeld gezicht de voorkeur geven? Nog maar eens een bewijs dat mijn theorieën steek houden. Gemiddeldes en medianen zijn de weg om te bewandelen. Het leven dwingt naar grenswaarden maar dat is schijn.

Ik herinner mij haar eerste stap in mijn leven. Ze kwam uit het niets opgedoken en verlichtte de hele straat. De zwarte lijn die ik er steeds had gevoeld, kleurde hel rood. Eerst voorzichtig. Daarna steeds nadrukkelijker. Ze was met haar ouders en haar broer in een huis getrokken iets verderop in de straat. Ze flaneerde door de straat, ze wandelde nooit. Hoewel ik een stuk ouder was dan haar, voelde ik dat het schilderij van mijn leven met één tik van haar hakken op het voetpad aan de overkant van de straat evenwicht had gevonden. Ik gaf haar een naam. Dagmar. Naar het hoofdpersonage uit het boek dat ik op dat moment aan het lezen was.

Een relatie met een vrouw heb ik nooit gehad. Ik val op lieve, zachte meisjes denk ik. Ik vind het moeilijk om toe te geven, maar ik heb het nooit gedaan met een vrouw en als mijn situatie is wat ze lijkt, dan ziet het ernaar uit dat dat ook niet voor de komende periode zal zijn. Op een dag belde ik het telefoonnummer dat ik vond in een regionale krant. Een jonge meisjesstem antwoordde. De eerste keer legde ik dicht. De volgende keer slaagde ik erin een gesprek te hebben. Ze vroeg mijn adres, ze zei dat ze langs zou komen. Dat ik niets hoefde te betalen als er niets gebeurde. Het was de enige keer dat ik het bed met een vrouw deelde die niet mijn moeder is.

Op weg naar de bushalte iets verderop in de straat passeerde Dagmar elke morgen aan mijn raam voorbij. Ze haalde de bus van vijf voor acht altijd maar net. Ze liep dan op die hakken van haar het huis uit, de straat over en met een sprongetje de bus op. Buschauffeurs die haar niet aan de halte zagen staan, stopten even, haalden hun zakdoeken boven of aarzelden bij het teruggeven. Wanneer ze aan kwam snellen, sloten ze ostentatief de deur om ze even later galant en met een knipoog opnieuw open te kunnen doen.

Waarom ik gedaan heb wat ik gedaan heb, zal u duidelijk worden. Ik hoop dat u in het kader van het gezegde meer begrijpt van wat ik heb willen zeggen met mijn daad. Het is een verkeerde manier van communiceren, maar u moet begrijpen dat ik geen andere weg meer zag, ik had alle pogingen ondernomen om haar te vertellen wat ik wilde maar ze heeft niet één keer naar mij geluisterd.

Ik vond de naam op de bel van haar huis. Kathleen. Dagmar heette Kathleen. Kathleen zou in de maanden daarna en tot nu steeds op die hakken door mijn leven slalommen. Elke stap hard benadrukkend met een tik tegen het wegdek. Ik probeerde om vijf voor acht naar mijn auto te stappen, ik wilde haar een lift aanbieden als ze de bus niet zou halen, maar steeds weer holde ze me voorbij. Ze lachte wanneer ze me passeerde. Ze lachte naar mij. Ik verstijfde en knikte beleefd terug.

Toen begon ik brieven te schrijven. Ik druk mij beter uit met geschreven woorden, moet u weten. Ik ondertekende met X. ’s Morgens, wanneer ze naar de bus rende, hield ze de brieven in haar hand. Ik zorgde ervoor dat ze niet wist wie ik was. Dat zou later komen. Ik zocht haar naam op het internet en zag hoe populair ze was. Mijn vlak werd witter, het hare steeds roder. De lijnen die ons scheidden, deinden uit.

Gisteren besloot ik dat ik het haar zou zeggen. Dat zij het was waar ik al die tijd naar uit heb gekeken. Toen ze na school van de bus stapte, hield ik haar tegen. Het getik in de straat hield op. Ik stamelde. Ik zei dat ik haar buurman was. Dat ik haar brieven had geschreven. Dat ze de vrouw van mijn dromen was. Weer lachte ze. Luid en hard deze keer. Ze was helemaal niet het zachte meisje dat ik me had voorgesteld. Ze liep me voorbij, draaide zich nog één keer om en riep “Freak” naar me. “Freak”. Ze duwde het hard en sissend tussen haar tanden.

Toen heb ik mijn auto genomen en ben door de stad gaan rijden. Telkens weer, op en neer tussen de haven en de stadsrand en weer terug. Deze middag zag ik haar aan de rand van het park. Ze was kwaad en riep op een jongen die ik eerder in de straat had gezien. Ze was helemaal niet Dagmar. Ze riep en maakte drukke gebaren. Ze creëerde chaos. De jongen was verward. Toen heb ik mijn gaspedaal ingedrukt.

6 replies on “Het eerste”

Brilliant! Je hebt een erg authentieke stijl, vlot leesbaar, maar toch van hoogstaande kwaliteit!

Het stukje was zeer meeslepend en had een spannende ontknoping (ook al wist ik ’t al ;-))

Ik hoop dat ik het je niet te moeilijk heb gemaakt! Op naar het volgende!

[…] kortverhalenreeks met de werktitel ‘Kat bijt vrouw’. Het leven is simpel, (Nood)lot, Dagmar en Ooit van respectievelijk mezelf, Vicky, Jan en Gudrun kon je al lezen. Op deze vijfde dag is […]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.