Het gat van Pandora

Wat je noemt een zware bevalling, dit nieuwe nanowrimoverhaal. Het is te zeggen. Deze middag zo rond een uur of vijf had ik mijn verhaal klaar. Tot ik het doorstuurde ter nalezing en goedkeuring.

Omdat het zondag is en ik best wel wat tijd wil investeren in mijn verhalen, vond ik het nodig mij aan een experimentje te wagen. Het bleek om een mislukt experiment te gaan. In december of volgend jaar, herwerk ik die editie wel een keer en leg ik het u voor.

Dit verhaal is dus het B-verhaal. Minder tijd ingestoken, niet erg origineel. Maar wel 1872 woorden. Waarmee ik weer ruim boven mijn quotum uitkom. Kwantiteit en kwaliteit. Het blijft een dunnen lijn om te bewandelen tijdens zo’n nanowrimo-maand.

Het gat van Pandora

Benno Snijers zit op een bankje aan de rand van het water. Hij schuift zijn laptop uit zijn hoes, neemt hem op schoot en kijkt naar de onmetelijke waterplas. Sinds zijn vrouw is overleden, heeft hij geen woord meer op papier gezet. Maar hij is er vast van overtuigd dat hij vandaag opnieuw een verhaal zal neerpennen. Een kortverhaal of een stuk poëzie. Iets wat tastbaar is. Iets wat hij naar zijn uitgever op zal kunnen sturen ook. Zijn vaste uitgever doet de laatste tijd vervelend. Als hij niet snel wat zou kunnen voorleggen, dan zou zijn contract herbekeken worden. Dat ‘herbekeken’ had de uitgever vergezeld laten gaan van het bekende aanhalingstekengebaar, daarmee volstrekt duidelijk makend dat het schrijven of de deur zou worden.

Zijn uitgever had hem vijf jaar geleden met luide trom als nieuwe auteur binnengehaald. Het succes van zijn laatste boek was op dat moment tot in de hoogste regionen doorgedrongen, maar hoewel de directeur-generaal zijn literaire kwaliteiten op de druk bijgewoonde persbijeenkomst bewierookte, wist Benno wist dat hij níét daarvoor werd binnengehaald. Hij was samen met zijn uitgeverij overgenomen. In feite was hij zelfs de enige reden geweest waarom de uitgeefmastodont überhaupt geïnteresseerd was in de activiteiten van zijn voormalige pleitbezorger.

Zijn succes was er niet zonder slag of stoot gekomen. Zijn eerste boeken waren hoofdzakelijk door bibliotheken aangekocht om aan de quota voor Vlaamse auteurs te voldoen. Tot hij “Het gat van Pandora” schreef. Een populaire radiojournalist had het boek gelezen en verhief het tijdens zijn ochtendshow tot hét boek dat iedereen gelezen moest hebben. Wat iedereen prompt leek te gaan doen. Voor Benno er erg in had, verscheen zijn hoofd op de voorpagina van populaire weekbladen en gaf hij interviews in populaire talkshows op televisie. Hij maakte plots deel uit van panels op zogenaamd literaire debatten.

“Het gat van Pandora” verkocht als zoete broodjes. Zijn eerdere boeken werden heruitgegeven en in verzamelboxen van de Nederlandstalige literatuur dook zijn naam steeds meer op. Een vervolg drong zich op. Zeker na de overname van de uitgeverij werd de druk om een populair vervolg te produceren steeds groter.

Meerdere keren had zijn uitgever er tijdens het schrijven van zijn nieuwe boek op aangedrongen dezelfde stijl aan te houden als die hij bij “Het Gat van Pandora” had gehanteerd. De iets gewaagdere stukken die Benno er subtiel had proberen doorheen te weven, werden systematisch uit de uiteindelijke versie van het boek geweerd. Op die manier kreeg de uitgever waar hij om gevraagd had. Een vlot leesbaar stuk literatuur met herkenbare personages en een goed, degelijk verhaal dat vooral over de toonbanken zou vliegen.

Op één van de feestjes die de uitgeverij gaf na weer eens een bestseller van een auteur uit hun gelederen had de uitgever het Benno eens uitgelegd. Niet in het minst geremd door de grote hoeveelheid alcohol die hij gedurende de avond al achterover had gewerkt, deed hij Benno versteld staan. “Een goed verhaal, wie zoekt een goed verhaal?”, had hij geroepen, “goed verkopen doe je met marketing, niet achter je schrijftafel. Kijk maar naar die Dan Brown. Niet slecht geschreven hoor, maar nu ook weer niet dat je zegt van…” Hij zocht even naar woorden: “ach je weet wel, die Brown is geen Shakespeare en dat ben jij ook niet, dat moet je je maar eens gaan realiseren.”

Toch had Benno na het tweede succesverhaal zijn stoute schoenen aangetrokken, was op zijn uitgever afgestapt en had hem gevraagd of hij met zijn volgende boek wat meer zijn eigen ding mocht gaan doen. Het schrijven op bestelling van het tweede succesboek was hem zwaar gevallen en het zou nu of nooit worden als hij nog eens een literaire prijs wou veroveren. Dat laatste had zijn uitgever overtuigd. Of je nu boeken verkoopt door de marketingdeal die je hebt met een radiozender, of je haalt je cijfers door prijskapers in huis te hebben, cijfers zijn cijfers, dat argument konden ze boven ook begrijpen.

Benno zette zich aan het schrijven van wat zijn meesterwerk moest gaan worden. Hij was tenslotte al 63 en als hij het nu niet zou schrijven, dan zou het wel nooit meer gebeuren. De Shakespeareuitstpraak van zijn uitgever bleef wel in zijn achterhoofd hangen, maar eens hij aan de schrijftafel zat voelde hij zich Shakespeare, Dante en Joyce in één. Alleen wilden de harde zinnen niet zo goed komen.

Wanneer zijn vrouw Ella hem midden in de namiddag koffie kwam brengen, viel het hem op hoeveel hij van de gezelligheid hield. Maar daarover wilde hij nu voor één keer niet schrijven. Een verhaal over het alledaagse, dat had hij zijn hele leven al gedaan. Losliggende tegels, guitige loketbedienden met bakkebaarden, gewone mensen met gezellige huizen, vrouwen en kinderen, dat was zijn specialiteit. Deze keer zou hij het anders aanpakken. Dit boek schreef hij voor de geschiedenis.

De eerste stukken die hij aan zijn uitgever afleverde, had hij al eerder, tussen het schrijven van zijn tweede succesroman door, neergepend. De uitgever had ze veelbelovend genoemd en hoewel Benno stellig de indruk kreeg dat hij er geen woord van had gelezen, had het hem toch een hart onder de riem geleken.

Toen de volgende delen wat langer op zich deden wachten, was zijn uitgever ongeduldiger geworden. Benno had na verontruste e-mails enkele oproepen op zijn GSM gekregen. Meestal had hij impulsief naar de rode knop van zijn toestel getast. Aan voicemails deed hij niet mee.

Intussen ging het met de gezondheid van zijn vrouw bergaf. Aan het begin van het jaar werd een tumor bij haar vastgesteld. “Goedaardig”, had de behandelende arts hen toen gerustgesteld. Maar er zouden geen risico’s worden genomen. Een operatie bracht uitzaaiingen aan het licht en Ella moest in het ziekenhuis blijven. Ze zou nog twee keer naar huis komen. De eerste keer om te bekomen van haar eerste kuur, de tweede keer kort voor haar dood.

Benno hield ervan om ergens in de stad te zitten schrijven. Hij koos zijn plekken strategisch uit. Hij hield zich vaak op in het Centraal Station. Het verwelkomen, het uitwuiven. Altijd die staat van gehaastheid. “Het leven wordt geregeerd door klokken,” zei hij tegen Ella, toen hij haar meenam voor de middagkoffie in het stationsbuffet. De zaal was uitgerust met stationsklokken in verschillende groottes en verschillende stijlen.

Ook de cafés in het centrum van de stad waren plaatsen waar hij vaak kwam. Hij bestelde dan een koffie aan de bar en keek rustig in het rond. Terwijl de man of vrouw achter de toog aan de gang ging met het koffieapparaat, liet hij zijn ogen door het café dwalen, op zoek naar interessante personages. Dan zette hij zich aan een tafeltje, haalde zijn schrijfblok van tussen zijn krant, legde die zo onopvallend mogelijk op zijn schoot en begon aan het kruiswoordraadsel. Tussen 6 verticaal en 7 horizontaal liet hij zijn pen naar het papier zakken op zijn schoot zakken en schreef enkele woorden op.

Sinds hij zich een laptop had aangeschaft -zijn schrijfijzer, zoals hij hem steevast noemde- viel hij wat meer op, maar de meeste stamgasten van de cafés die hij bezocht waren eerder terughoudend. Wanneer hij aan de toog zijn koffie bestelde, hoorde hij wel eens een opmerking of werd hij herkend door een toevallige passant die dan met hem op de foto wilde. Meestal echter ging hij in het decor op en achter het scherm van zijn laptop kon hij schrijven wat hij wilde.

Toen Ella werd opgenomen, zat hij vaak in de cafetaria van het ziekenhuis te schrijven. Eén van de als verpleegster geklede diensters meldde zich op de tweede dag van Ella’s verblijf aan zijn tafeltje. “U bent Benno Snijers”, zei ze heel matter-of-factly, “ik heb het gehoord van uw vrouw, ik wens haar veel beterschap”. Benno had bedankt. Ze had zich als één van zijn trouwste fans laten kennen. “Nog voor u bekend was, had ik al uw boeken gelezen”, zei ze trots.

De volgende dag had ze die één na één laten tekenen. Sommige zagen er gloednieuw en ongelezen uit, maar Benno tekende ze met dezelfde glimlach. In sommige schreef hij een opdracht. Meestal in het thema van het boek. In zijn laatste boek schreef hij: “Waarover moet mijn volgende boek gaan?”. Hij zette er het e-mailadres voor fanmail onder dat de uitgever voor hem had aangemaakt en waaruit hij maandelijks een selectie van de grappigste, aangrijpendste en idiootste opmerkingen kreeg doorgestuurd.

De ziekenhuisomgeving kon hem echter niet inspireren voor zijn nieuwe werk. De omgeving nodigde nochtans niet uit om over alledaagse besognes te gaan schrijven. Het trieste en het zwarte dat hij tussen de bezoeken aan Ella door op papier zette, schrapte hij telkens weer wanneer de hoop op haar herstel opflakkerde. “Het is geen tijd voor zwartdenken”, dacht hij bij zichzelf en tot zijn grote ontzetting begon hij weer over lampenkappen met bloemmotief en losliggende dorpels van cafés te schrijven. Ook dat materiaal schrapte hij. Dit keer wanneer de voorspellingen van doktoren opnieuw in de negatieve richting uitsloegen.

Steeds vaker hield hij zich bezig met niets schrijven. Steeds vaker zat hij uren aan een stuk te kijken naar het af- en aanrijden van ambulances en auto’s op de parking van het ziekenhuis. Op de duur liet hij zijn laptop gewoon thuis wanneer hij naar het ziekenhuis vertrok. Op die manier werd hij ook niet geconfronteerd met de nu haast eindeloos geworden eisen en smeekbedes van zijn uitgever om nieuw en uitgeefbaar materiaal.

Toen Ella stierf, zat hij achter een koud geworden koffie naar het koude inox van de ziekenhuiskeuken te staren. De dienster-verpleegster kwam naast hem staan. “Het spijt me”, zei ze. Ze legde even haar hand op zijn schouder en verdween.

Zijn uitgever had het een goede gelegenheid gevonden om de aandacht rond zijn persoon, die nu toch al enkele maanden aan het slabakken was gegaan, opnieuw op te krikken. Hij had enkele bladen gebeld met het nieuws over het tragische en onverwacht snelle overlijden van mevrouw Ella Snijers, vrouw van succesauteur Benno.
Benno ging er uiteindelijk mee akkoord om één enkel interview toe te staan. Een interview dat op dinsdag als exclusief werd aangekondigd in het weekblad dat daarvoor had betaald. En dat geheel of ten dele en al even exclusief werd overgenomen door de niet-betalende concurrentie.

Het was even een rel geweest tussen Benno en zijn uitgever. Die had hem op zijn contractuele verplichtingen gewezen en daarmee was voor hem de kous af geweest. In één adem had hij Benno gevraagd of hij nu nog wel schrijver wou zijn. Benno had bevestigend geantwoord. Dat was gisteren.

Vandaag zit hij met opgeladen laptop op de plaats waar hij zijn eerste verhaal heeft geschreven. Aan de kant van het water.

Leave a comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.