Categories
Uncategorized

Over de trein en de wereld

Vanmorgen zat ik op de trein richting Kortrijk en Lille Flandres vanuit Antwerpen. De treinconducteur riep om dat de trein gesplitst zou worden in Kortrijk en dat passagiers die zich mogelijks per abuis in het verkeerde rijtuig zouden bevinden zich naar het voor hen bedoelde rijtuig dienden te begeven. Indien niet meteen door de trein, dan later in Kortrijk over het perron.
Hij deed dat in het Nederlands. Uiteraard. Van alle steden is Antwerpen wel de meest Vlaamse en dus is Nederlands de voertaal. Of niet? Van alle Vlaamse steden is Antwerpen ook de meest internationale. Deze trein had als bestemming een stad in het noorden van Frankrijk, alwaar een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands.
Dat vind ik dan vreemd. Een internationale trein uit een internationale stad wordt toegesproken door een conducteur -of dien ik in het kader van het gestelde ‘reisbegeleider’ te zeggen- in een taal die door nog geen procent van de wereldbevolking wordt gesproken en begrepen. Duidt het niet op een nogal kortzichtige pose dat wij, om onszelf op een piedestal te zetten ons laten aanspreken in die taal?
Dat ik wordt toegesproken in het Nederlands vind ik nodig, dat mijn Pakistaanse reisgenoot aan de uitleg maar weinig heeft gehad kan ik aan zijn gezicht aflezen. Er zullen wel regels zijn, wetten misschien, die deze reisbegeleider oplegt in welke taal hij zijn schapen moet hoeden maar zou het niet van wat ruimdenkendheid getuigen. Van realiteitszin misschien wel, wanneer iedereen wordt aangesproken in een taal? Gebarentaal ook.
Vlamingen kokketeren graag met hun talenkennis: wanneer wij in het buitenland op reis gaan spreken we de mensen aan in hun taal. Ne Servessa Por Pavor. En voor u schat? Dos. Dos Servessas. En la Kwenta. We proberen Engels. Frans desnoods. Met hevige accenten die de taal meer laten lijken op het lokale dialect van de spreker dan op te taal van de ontvanger zoals een landschap van matisse ook meer lijkt op een andere matisse dan het eigenlijke, bedoelde landschap.
We kokketeren graag in een ander land maar niet in dat van ons. Daar zijn wij heer en meester. Daar moet de ander zich aanpassen. Hij moet luisteren naar onze taal. Er uitzien als ons en liefst een pint bestellen in onze cafés. Hoe lang zou het duren voor we durven zeggen: we leven in een internationale omgeving, we leven in een multicultureel land. Een babel van talen en culturen. We zijn een minderheid in de wereld. Wat wetgevingen en regels ook beweren. Wat ons buikgevoel ons ook dicteert.

Vanmorgen zat ik op de trein richting Kortrijk en Lille Flandres vanuit Antwerpen. De treinconducteur riep om dat de trein gesplitst zou worden in Kortrijk en dat passagiers die zich mogelijks per abuis in het verkeerde rijtuig zouden bevinden zich naar het voor hen bedoelde rijtuig dienden te begeven. Indien niet meteen door de trein, dan later in Kortrijk over het perron.

Hij deed dat in het Nederlands. Uiteraard. Van alle steden is Antwerpen wel de meest Vlaamse en dus is Nederlands de voertaal. Of niet? Van alle Vlaamse steden is Antwerpen ook de meest internationale. Deze trein had als bestemming een stad in het noorden van Frankrijk, alwaar een andere taal wordt gesproken dan het Nederlands.

Dat vind ik dan vreemd. Een internationale trein uit een internationale stad wordt toegesproken door een conducteur -of dien ik in het kader van het gestelde ‘reisbegeleider’ te zeggen- in een taal die door nog geen procent van de wereldbevolking wordt gesproken en begrepen. Duidt het niet op een nogal kortzichtige pose dat wij, om onszelf op een piëdestal te zetten ons enkel laten aanspreken in die taal?

Dat ik word toegesproken in het Nederlands vind ik nodig, dat mijn Pakistaanse reisgenoot aan de uitleg maar weinig heeft gehad kan ik aan zijn gezicht aflezen. Er zullen wel regels zijn, wetten misschien, die deze reisbegeleider oplegt in welke taal hij zijn schapen moet hoeden maar zou het niet van wat ruimdenkendheid getuigen, van realiteitszin misschien wel, wanneer iedereen wordt aangesproken in een taal? Gebarentaal ook.

Vlamingen koketteren graag met hun talenkennis: wanneer wij in het buitenland op reis gaan spreken we de mensen aan in hun taal. Ne Servessa Por Pavor. En voor u schat? Dos. Dos Servessas. En la Kwenta. We proberen Engels. Frans desnoods. Met hevige accenten die de taal meer laten lijken op het lokale dialect van de spreker dan op te taal van de ontvanger zoals een havenzicht van Matisse ook meer lijkt op een andere Matisse dan het eigenlijke, bedoelde zicht.

We kokketeren graag in een ander land maar niet in dat van ons. Daar zijn wij heer en meester. Daar moet de ander zich aanpassen. Hij moet luisteren naar onze taal. Er uitzien als ons en liefst een pint bestellen in onze cafés. Hoe lang zou het duren voor we durven zeggen: we leven in een internationale omgeving, we leven in een multicultureel land. Een babel van talen en culturen. We zijn een minderheid in de wereld. Wat wetgevingen en regels ook beweren. Wat ons buikgevoel ons ook dicteert.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.